Religieus Relativisme, Tolerantie en Philipse's Athe´sme

door

Bruno D. Gedressac

 

Navigatietips:

 

Dit artikel is een reaktie op enkele artikelen van de athe´st Herman Philipse in het NRC Handelsblad (januari 1997), maar deze krant heeft geweigerd het te plaatsen. Dit artikel werd later naar de Reformatorisch Dagblad gezonden en hierin gepubliceerd op 1 mei 1997, pagina 17.

 


ę Bruno D. Gedressac, Den Haag, februari 1997.

Inhoud

Inleiding
Waarheid en tolerantie
De oorsprong van het geloof
Een alternatief: het the´sme

 


De athe´stische filosoof Philipse schreef onlangs in het NRC een interessante, kritische beschouwing over het religieuze weten en concludeerde daarin dat het athe´sme de Únige redelijk aanvaardbare stellingname is (NRC 20/1/97). Eerst behoren een paar begrippen te worden verduidelijkt. Absolutisme betekent dat een stelling of opvatting over een bepaald onderwerp waar is en dat een andere stelling of opvatting over datzelfde onderwerp daarom onjuist is. Relativisme betekent dat alle opvattingen over hetzelfde onderwerp (ook al spreken ze elkaar tegen) tegelijk waar kunnen zijn.


Waarheid en tolerantie

De excommunicatie van een priester door het Vaticaan geeft Philipse aanleiding om het volgende te stellen: religieuze tolerantie en "dialoog is bij voorbaat onmogelijk indien men vasthoudt aan de exclusieve waarheid van de eigen religie". De hedendaagse realiteit is toch duidelijk anders! Daarop wijst het werk van Van Roodens, onderzoeker van 'Godsdienst en Maatschappij'. In het NRC van 25 januari jongstleden merkte hij op dat steeds meer mensen met tegenovergestelde godsdiensten zich vermengen of met elkaar communiceren en dat dit bijna altijd vreedzaam gebeurt. Ook ikzelf heb verrijkende ervaringen met mensen van andere 'absolute' religies gehad.

Slechte ervaringen heb ik dan ook niet met religÝeuze mensen, maar juist met postmoderne mensen. De postmodernen menen te stellen dat er geen waarheid bestaat en pretenderen daarom juist toleranter te zijn. Maar dan dreigt het gevaar alle absolute stellingen uit te willen roeien en eigenlijk veel intoleranter te zijn. Een sterke, vaak emotionele reaktie verraadt soms hoe sterk postmoderne mensen aan de waarheid van het postmodernisme gehecht zijn en zelf intolerante neigingen hebben. Postmodernisme, zoals relativisme, is uiteindelijk alleen te doorgronden op basis van het absolutisme door te menen de uiteindelijke waarheid te hebben! Deze tegenspraak maakt postmodernisme en relativisme irrationeel. Sommige postmodernen verwerpen daarom de rede, de rationaliteit, door te beargumenteren dat de rede Westers of mannelijk bevooroordeeld is. Toch moeten ook zij de rede gebruiken om deze conclusie te trekken; zij kunnen deze zonder rede niet sluitend krijgen. Bovendien is de postmoderne levensopvatting niet hanteerbaar in het dagelijks bestaan: ook postmoderne mensen handelen alsof waarheid bestaat en weten bijvoorbeeld dat het waar is dat zij moeten eten om in leven te blijven, of dat de massamoord op de Joden verkeerd was.

Als de rede onjuist is, wie zal dan bepalen wat juist is en wie er gelijk heeft? De sofistische filosofen in de Griekse oudheid dachten net als de postmodernen dat er geen waarheid is. Ze concludeerden dat de machtigste gelijk heeft en dat men de zwakken moet onderdrukken. De sofistische filosoof Critias heeft de democratie omvergeworpen en is de geschiedenis ingegaan als wrede dictator. In de denklijn van de sofisten en postmodernen komt de relativistisch filosoof Nietzsche, die het bestaan van waarheid ook ontkende. Over hem valt iets op te merken. Hij vond dat Socrates de jeugd van Athene met democratische vooroordelen had 'vergiftigd'. Hij haatte de 'slavenmoraal' van het christendom omdat het de waarde loochende van 'schitterend animalisme, instinct van oorlog en verovering, wraak, toorn, wellust'. Nietzsche vond Napoleon een prachtfiguur en zijn ideale 'Uebermensch' was 'een wezen zonder enig sympathie, meedogenloos, sluw, wreed, alleen uit op eigen macht' (B. Russell).

Ook relativistische godsdienten kunnen een gevaar in zich meedragen. Vele oosterse godsdiensten houden het principe van de non-contradictie (een stelling is waar ˇf niet waar, maar niet allebei tegelijkertijd) voor een misvatting en zijn daardoor relativistisch.. De hindoemaatschappij is een kastensysteem met een ge´nstitutionaliseerd racisme en sommige van de meest bloedige godsdienstgevechten van onze eeuw hebben plaatsgevonden op het hindoeistisch grondgebied.

Als de relativist zegt dat alles tegelijk waar is, wordt het concept 'waar' betekenisloos, zoals Philipse terecht opmerkt in zijn eerste artikel. Dan bestaat er geen 'waarheid' en rationaliteit meer. Het relativisme komt dus neer op het scepticisme van het postmodernisme en is daarom onjuist. Alleen de absolutist kan rationeel tolerant zijn door het principe van tolerantie als een absolute morele waarde te aanvaarden.

 


De oorsprong van het geloof

Philipse schrijft verder in zijn artikel dat godsdiensten rationeel te doorgronden zijn met een beroep op openbaring of op een geschenk van God. Hij stelt dat dergelijke argumenten onmiskenbaar cirkel-redeneringen bevatten en daarom niet valide kunnen zijn. Wat Philipse zegt komt inderdaad overeen met de stellingen van de filosoof Kierkegaard of van de theoloog Barth. Hij lijkt echter andere stellingen te vergeten, zoals die van Augustinus en Thomas van Aquino. Hun stelling voegt rede en openbaring tezamen en schept daardoor ruimte voor empirische of morele godsbewijzen, die geen cirkelberedenering bevatten. In hun denklijn hebben de Amerikaanse filosofen Craig en Plantinga onlangs sterke argumenten naar voren gebracht om het the´sme te doorgronden.

Ook kan men bij sommige godsdiensten argumenten vinden die geen cirkelredenering bevatten. De moslims stellen dat de Koran bovennatuurlijk mooi geschreven is, en daarom dus wel door Allah ingegeven moet zijn. De razendsnelle groei van de Islam zou ook alleen door Allah's ingreep verklaarbaar zijn. De christenen beweren dat het historisch bewijsbaar is dat Jezus zich voor God hield, wonderen heeft verricht en uit de dood is opgestaan. (J. P. Moreland, 'Scaling the Secular City', 1987, p. 133-183). En daarom moest Hij wel God zijn. Door Zijn uitspraken kan men dan concluderen dat de Bijbel Gods openbaring is (N. L. Geisler, 'Christian Apologetics', 1976).

Op basis van het bestaan van verschillende godsdiensten eindigt Philipse zijn betoog met de conclusie dat alleen de athe´st alle geloofsverschijnselen kan verklaren met de projektie-theorie en dat dus alleen het athe´sme rationeel aanvaardbaar is. De projectie-theorie houdt in dat men geneigd is voor waar aan te nemen wat men wenst. Deze theorie is eigenlijk moeilijk toepasbaar op het geloof in een goddelijk Rechter met strenge morele eisen. Wie zou uit zichzelf zo'n God wensen? Integendeel, deze theorie kan veel beter worden toegepast op het athe´stische geloof. Overigens, al zou de projectietheorie de beste verklaring zijn voor de verschijnselen godsdienst of athe´sme, dan zou dit nog niet betekenen dat God wel of niet bestaat, maar alleen verduidelijken hoe bepaalde opvattingen tot stand zouden kunnen komen.

 


Een alternatief: het the´sme

De redenering van Philipse lijkt onjuist en dus ook zijn conclusie (het athe´sme is als enige rationeel aanvaardbaar). Er zijn, daarentegen, goede redenen om het the´sme (het geloof in de onveroorzaakte schepper God, om het simpel te zeggen) te aanvaarden. Het the´sme is de beste uitleg voor het bestaan van abstracte entiteiten, van morele waarden, van complexe orde in het heelal en voor het bestaan van het heelal in plaats van niets, en ook voor de historische feiten over het leven, dood en opstanding van Jezus van Nazareth. Ik verwijs hierbij naar het boek van J. P. Moreland, 'Scaling the Secular City', 1987. En Internet-liefhebbers beveel ik de volgende sites aan : http://www.id-www.ucsb.edu/fscf/; http://www.campus.leaderu.com/  of http://www.iclnet.org/pub/resources/text/cri/cri-home.html.

Het bestaan van lijden valt de mens heel moeilijk. Hier wordt verwezen naar vooraanstaande filosofen in Amerika (P. Van Inwagen, W. Alston, A. Plantinga), die dit probleem als een 'noodzakelijk kwaad' zien voor de vrijheid en verantwoording van de mens.

Een ander bezwaar luidt dat er voor elk argument een tegenargument te vinden is. Inderdaad, empirisch gezien kan men nooit voor honderd procent zeker zijn van de werkelijkheid, omdat ons weten beperkt en niet allesomvattend is. We zijn God niet. Wil men alleen absolute zekerheden aanvaarden, dan kan men niets meer aanvaarden, zoals de sceptische filosoof Hume al aantoonde: hij kon op die manier niet weten of God bestond, maar ook niet of de moraal, de wereld en hijzelf bestonden! Maar scepticisme is niet aanvaardbaar (zie de hierboven geleverde kritiek op het postmodernisme). Er is toch een oplossing: houdt men zich aan drie criteria (rationele coherentie, overeenkomst met de empirische ervaring, leefbaarheid) dan kan men toetsen of een levensbeschouwing waar of niet waar is. Ook moet men proberen onpartijdig te blijven. De liberale theologen van het Jesus Seminar, zoals D. Crossan, verwerpen de betrouwbaarheid van de evangelieŰn op basis van hun naturalistische vooringenomenheid (ze houden wonderen voor onmogelijk), maar niet op basis van historische bewijzen (zie "Jesus under Fire", M. J. Wilkins ed., 1995).

Als men zich aan deze richtlijnen vasthoudt, kan men het tegenoverstelde van Philipse beweren (en om zijn uitdrukking te gebruiken): er is voor een redelijk mens maar ÚÚn bonafide positie in het geestelijk leven, het the´sme.

 

ę Bruno D. Gedressac, Den Haag, februari 1997.


Aantal bezoekers sinds 30 augustus 1998:

 


UNIVERSI FINIS VERITAS!

 

Pagina Layout: Copyright ę 1998-2000 Stichting Europese Apologetiek
Pagina gemaakt op: 30 aug. 1998
Pagina bijgewerkt op: 1 maart 1999