Atheļsme en het probleem van het kwaad

door

Jacques van der Meer

Navigatietips:

 


© Jacques van der Meer, Tilburg, augustus 1998.

 

Dit artikel handelt over een uiterst gecompliceerd onderwerp. Het kwaad is een veel besproken onderwerp geweest in de geschiedenis. Ook in deze tijd verschijnen er met regelmaat publicaties over dit onderwerp. Eigenlijk moet iedere nieuwe generatie zich opnieuw afstemmen op het thema, de specifieke vragen van elke tijd doet het kwaad keer op keer in andere verschijningsvormen aanwezig stellen.

Het doel van dit artikel is niet om een uitgebreide verdediging te geven van het christelijk geloof in het licht van het bestaan van het kwaad. Dit artikel wil enkel aantonen, dat het atheisme het kwaad niet afdoende kan verklaren, en in vergelijking met een theist, in het bijzonder een christelijk theist, een atheist in het nadeel is. Wanneer een atheist het kwaad als absoluut stelt en dit als bezwaar wil gebruiken tegen een christen, zal deze tot de conclusie komen dat hij zichzelf tegen spreekt. In andere artikelen heb ik gesproken, hoe vanuit een christelijke visie hierop geantwoord kan worden.

Wanneer we spreken over het kwaad, is deze in twee problemen op te splitsen. De eerste is het emotionele probleem van het kwaad. Bij het emotionele probleem zal het kwaad benaderd moeten worden met vermogens die wij hebben, om met dit probleem emotioneel om te gaan. Zowel naar onszelf toe als naar onze naaste. Het tweede probleem is het intellectuele probleem. Bij het intellectuele probleem gaat het erom, in hoeverre wij een verklaring voor het kwaad kunnen vinden binnen een bepaald wereldbeeld. Het is het intellectuele probleem dat hier behandeld wordt.

Het kwaad heeft in deze wereld twee componenten. Ten eerste het morele kwaad. Dit is het kwaad en het daarmee gepaard gaand lijden, dat teweeg gebracht wordt door menselijk handelen. Ten tweede is er het natuurlijk kwaad, dat plaatsvindt, los van elk bewust menselijk handelen, zoals aardbevingen en bepaalde ziekten.

Een van de meest indringende beschrijvingen van het morele kwaad als bezwaar tegen het bestaan van God is beschreven door Fjodr Dostojewski[1]. In zijn roman 'De gebroeders Karamazow', vertelt hij het verhaal van de jonge atheist Iwan die zijn christelijke broer Alosja confronteert met de gruwelijkheden die door mensen zijn verricht. Voor Iwan zijn deze gruwelijkheden voldoende om hem te doen besluiten niet in God te geloven. Opvallend is dat Iwan niet zozeer God's bestaan ontkent. Iwan accepteert het niet dat een goede, almachtige God zou bestaan en toch het kwaad rustig zijn gang laat gaan. In deze wereld bestaan veel Iwan's, ook zij zien het bestaan van het kwaad als onverenigbaar met een goede almachtige God. De laatste eeuwen hebben verschillende filosofen en theologen, zeker na Auswitz, dit argument genoemd. Een goede almachtige God kan niet bestaan, omdat dit onverenigbaar is met het kwaad in de wereld.

Wanneer we het probleem van het kwaad onder handen nemen en we proberen te verklaren wat het kwaad is, ga ik gemakshalve ervan uit dat we twee opties hebben. Er bestaan er meerdere, maar het gaat in dit artikel in eerste instantie om het atheisme.Dus de mogelijkheden om het kwaad te verklaren is die tussen atheisme en theisme. Wanneer een atheist zegt dat het vermoorden van duizenden mensen in Bosnie verkeerd is, doet deze een beroep op een hogere morele wet. Hij protesteert tegen een bepaalde gang van zaken en noemt deze verkeerd. Hij kan twee opties hebben om dit verkeerd te vinden. De eerste is, hij kan er persoonlijk bezwaar tegen hebben. Hij vindt persoonlijk dat je andere mensen niet mag doden. Dit bezwaar is zuiver subjectief en is gebaseerd op voorkeur. Het is dan ongeveer net zoiets als het feit dat ik koffie verkies boven thee, of blauw boven groen. Het probleem wat hieruit volgt is, dat wat jij kwaad noemt, de ander wel eens goed kan noemen. Zo verkiest iemand anders thee boven koffie, of groen boven blauw. Er is hier geen wet die zegt dat het kwaad gestopt moet worden. Dit was een probleem waar de atheistische filosoof Bertrand Russell (die eigenlijk agnost was, maar in praktijk maakte dat weinig uit). mee geconfronteerd werd in een beroemd debat met de christelijke filosoof Frederick Copplestone[2]. Het probleem waarmee hij geconfronteerd werd, is dat wanneer morele waarden enkel subjectief zijn, het een kwestie van smaak is wat je goed of slecht noemt. Maar als het enkel een persoonlijke voorkeur is iets goed of fout te noemen, hoe kan het dan een bezwaar zijn tegen het bestaan van God? Misschien heeft God zijn eigen voorkeur?

De objectiviteit van morele waarden wordt vaak erkend door atheisten. Er bestaan zaken in de wereld die absoluut verkeerd zijn en die bestreden dienen te worden, teneinde het geluk van de mensheid op aarde te bevorderen. Dit is een mooie gedachte en veel atheisten (zeker verschillende die ik ken), zijn mensen met een hoog morele standaard. Maar op dit punt aangekomen loopt de atheist opnieuw tegen een probleem aan. En dit is als volgt aan te tonen. 1) Als God niet bestaat, kunnen er geen objectieve morele waarden bestaan. 2) Het kwaad bestaat 3) Daarom: Objectieve morele waarden bestaan 4) Daarom: God bestaat..

Premisse 1: Het bestaan van morele waarden, verwijst naar een bepaald moeten in het handelen van de mens. Wanneer God niet zou bestaan en de mens autonoom is, is er geen hogere wet die hem dwingt om volgens bepaalde voorschriften te handelen. Een wet die los staat van menselijke overeenkomsten. Nu kan de atheist zeggen, dat handelen tegen bepaalde morele overtuigingen, tegen zijn natuur ingaat. De evolutie maakt ons duidelijk wat goed voor ons is of niet. Maar van evolutie wordt juist gezegd, dat we gedreven worden door zelfzuchtige genen, die blind acteren. Op wat voor wijze toont ons dit een hogere morele wet? En als er door de evolutie een wet zou bestaan, hoe weten we dan dat deze altijd geldig is? De wet zou enkel bestaan bij gratie van datgene wat nuttig voor ons is om te overleven. Maar wat nu nuttig is om te overleven, kan later wel eens uiterst nadelig zijn. Kortom het ontkennen van het bestaan van God, leidt vrijwel noodzakelijk tot het ontkennen van objectieve morele waarden.

Premisse 2: Het kwaad bestaat. Dit is waar we van uitgaan, wil het een bezwaar tegen het bestaan van God zijn.

Premisse 3: Op grond van premisse 2 en het daaruit volgend bezwaar tegen het bestaan van God, leidt tot de erkenning dat er objectieve morele waarden bestaan. Het kwaad is in de wereld aanwezig.

Premisse 4: Op grond van 1,2,3 leidt dit tot de conclusie dat God bestaat. Het punt hiermee is dat dit nog niet betekent dat het de God van de bijbel is. Wat het wel betekent is, dat atheisme niet waar kan zijn.

Wanneer je de twee opties naast elkaar beziet en je een antwoord tracht te vinden op de vraag 'wat is het kwaad'?; zie je dat het atheisme met grote problemen geconfronteerd wordt. De uiterst subjectieve oplossing, waarbij goed of kwaad slechts een kwestie is van voorkeur, kan nooit leiden tot een argument tegen het bestaan van God.

De andere optie is, dat het bestaan van objectieve morele waarden wordt erkend. Maar hiermee ontdekt de atheist een nog veel groter probleem. Als God niet bestaat, kunnen er geen objectief morele waarden zijn. Het bestaan van het kwaad, verwijst naar het bestaan van objectieve morele waarden. En objectieve morele waarden, kunnen enkel bestaan wanneer er een God is.

 

© Jacques van der Meer, Tilburg, augustus 1998.

 


Aantal bezoekers sinds 8 augustus 1998:


UNIVERSI FINIS VERITAS!

 

Pagina Layout: Copyright © 1998-1999 Stichting Europese Apologetiek
Pagina gemaakt op: 30 aug. 1998
Pagina bijgewerkt op: 1 maart 1999