De historische betrouwbaarheid van DaniŽl

In het licht van archeologisch onderzoek

Door 

J.G. van der Land

 

Samenvatting
Het Bijbelboek DaniŽl bevat voorspellingen van gebeurtenissen die veel later plaatsgevonden hebben. Volgens liberale theologen zijn zulke profetieŽn onmogelijk en het boek DaniŽl zou pas in de tweede eeuw voor Christus geschreven zijn. Archeologisch onderzoek heeft echter aanwijzingen opgeleverd dat het boek DaniŽl geschreven moet zijn door iemand die de situatie en de taal aan het Nieuw-Babylonische hof goed kende en dus wel geleefd moet hebben in de zesde eeuw v. C.

Moeilijkheid

 

Navigatietips:

Algemene disclaimer: zie onderaan

 


Copyright © J.G. van der Land, 1999.

 

Overzicht:

 


Inleiding

Volgens vele geleerden werd het boek DaniŽl niet in de zesde eeuw v. C. geschreven, maar pas in de tweede eeuw v. C.. Verschillende gegevens in de eerste hoofdstukken van het boek DaniŽl zouden niet in overeenstemming zijn met wat bekend is uit historische bronnen. Daaruit zou blijken dat de schrijver niet op de hoogte was van de geschiedenis van de door hem beschreven tijd, zodat het boek niet geschreven kan zijn in de zesde eeuw v. C..

Volgens DaniŽl 1:1 werd DaniŽl weggevoerd uit Jeruzalem door Nebukadnezar (605-562 v. C.). DaniŽl bekleedde hoge functies tijdens het Nieuw-Babylonische rijk en in de eerste jaren van het Medisch-Perzische rijk, dat in 539 v. C. Babylon veroverde.

Het grootste deel van de profetieŽn in DaniŽl 11 gaat over de tijd van de Seleuciden, de heersers over een deel van het rijk van Alexander de Grote. In DaniŽl 11:20-39 komen profetieŽn voor over gebeurtenissen tijdens Antiochus IV (175-164 v. C.), die de tempel in Jeruzalem ontwijdde en tegen wie de MakkabeeŽn in opstand kwamen.

Volgens bijbelkritische geleerden is het onmogelijk dat gebeurtenissen lang te voren voorspeld worden. Volgens hen eindigen de geprofeteerde gebeurtenissen kort voor de dood van Antiochus IV. Daarom luidt hun conclusie dat het boek DaniŽl geschreven is tijdens het leven van deze koning, in de tijd van de MakkabeeŽn, in de eerste helft van de tweede eeuw v. C..

De opvatting dat het boek werd geschreven tijdens de MakkabeeŽn heeft veel ingang gevonden. Volgens deze theorie werden gebeurtenissen die al plaatsgevonden hadden, beschreven in de vorm van profetieŽn en werden die toegeschreven aan een niet bestaande persoon: DaniŽl.

Archeologisch onderzoek heeft aanwijzingen opgeleverd dat het boek DaniŽl geschreven moet zijn door iemand die de situatie aan het Nieuw-Babylonische hof goed kende en dus geleefd moet hebben in de zesde eeuw v. C..

 

Argumenten tegen de historische onbetrouwbaarheid van DaniŽl

Lange tijd was ťťn van de argumenten voor de stelling dat het boek DaniŽl niet geschreven kan zijn in de zesde eeuw v. C., dat in Daniel 5 Belsazar genoemd wordt als de laatste koning van het Nieuw-Babylonische rijk. De naam Belsazar komt in lijsten van koningen van het Nieuw-Babylonische rijk niet voor. Nabonidus wordt als de laatste koning van dat rijk genoemd. Ook de Griekse geschiedschrijvers Herodotus (ca. 485-425 v. C.) en Xenophon (430-354 v. C.), die over de ondergang van het Nieuw-Babylonische rijk schreven, vermeldden de naam Belsazar niet. De naam Belsazar is dan ook lang als een verzonnen naam beschouwd.

Een ander argument tegen de historische betrouwbaarheid van het boek DaniŽl is dat Nebukadnezar (605-562 v. C.) vader van Belsazar genoemd wordt (Dan. 5:2, 11, 13 en 18). In DaniŽl 5:22 wordt Belsazar een zoon van Nebukadnezar genoemd. Dat wekt de indruk dat de schrijver dacht dat Nebukadnezar werd opgevolgd door Belsazar.

Nebukadnezar werd echter opgevolgd door zijn zoon Avil-Mardoek (562-560 v. C.). Daarna regeerde diens zwager Neriglessar (560-556 v. C.), die opgevolgd werd door zijn minderjarige zoon Labashi-Mardoek. Na negen maanden maakte de usurpator Nabonidus zich meester van de macht. Hij regeerde van 555-539 v. C..


Koning Nabonidus

Verder werd het boek DaniŽl historisch onbetrouwbaar genoemd, omdat volgens de schrijver na de ondergang van het Nieuw-Babylonische rijk Darius de Meder over BabyloniŽ regeerde (Dan. 6:1 en 9:1). Uit geen enkele historische bron is een Darius de Meder bekend. Volgens verschillende bronnen nam de Perzische koning Cyrus na de verovering van Babylon, in 539 v. C., daar de macht over. Uit de genoemde punten werd de conclusie getrokken dat de schrijver van het boek DaniŽl niet goed op de hoogte was van de geschiedenis van de door hem beschreven tijd.

 

Taalkundige argumenten

Er zijn ook taalkundige argumenten voor de stelling dat het boek DaniŽl niet in de zesde eeuw v. C. geschreven is. In het boek DaniŽl komen minstens 15 Perzische leenwoorden voor. Die woorden kunnen pas ingang hebben gevonden in BabyloniŽ nadat de Perzen daar de macht overgenomen hadden.

In DaniŽl 3:5 komen drie Griekse woorden voor muziekinstrumenten voor. Daaruit zou blijken dat het boek DaniŽl pas geschreven kan zijn na de verovering van het Perzische rijk door Alexander de Grote. In 331 v. C. behaalde het leger van Alexander de Grote, dat bestond uit MacedoniŽrs en Grieken, bij Arbela (Gaugamela) een beslissende overwinning op het Perzische leger. Na de ondergang van het Perzische rijk werd de Griekse taal de voertaal in het gehele Nabije Oosten. Pas in die tijd zouden daar Griekse woorden voor muziekinstrumenten gangbaar geweest zijn.

 

De wegvoering van DaniŽl

DaniŽl was een jonge Judese prins, die tijdens de eerste verovering van Jeruzalem, tijdens de regering van koning Jojakim (609-598 v. C.), samen met andere Judese prinsen en aanzienlijken, in opdracht van Nebukadnezar werd weggevoerd naar Babylon. De eerste verovering van Jeruzalem door Nebukadnezar vond waarschijnlijk begin 603 v. C. plaats, tijdens het vijfde regeringsjaar van koning Jojakim. In DaniŽl 1:1 staat echter: "het derde jaar van Jojakim". Dat moet het gevolg zijn van een overschrijffout.

Het eerste regeringsjaar van Jojakim begon in het voorjaar van 608 v. C.. Tijdens zijn vierde regeringsjaar (voorjaar 605 tot voorjaar 604 v. C.) vond de slag bij Karkemis, aan de Eufraat, plaats (Jer. 46:2). Nebukadnezar, de kroonprins van het Nieuw-Babylonische rijk, versloeg in mei/juni 605 v. C. bij Karkemis een Egyptisch leger.1 Nebukadnezar trok de vluchtende Egyptische soldaten achterna en versloeg de restanten van het Egyptische leger in de omgeving van Hamath, aan de Orontes, in het noorden van SyriŽ.

Daar vernam hij dat zijn vader Nabopolassar op 16 augustus 605 v. C. gestorven was. Nebukadnezar keerde terug naar Babylon waar hij op 7 september 605 v. C. tot koning gekroond werd. Pas daarna ging hij verder met het bezetten van voorheen door Egypte beheerste gebieden ten westen van de Eufraat. Het is onwaarschijnlijk dat hij al eind 605 of begin 604 v. C. Jeruzalem belegerd heeft. Hij keerde namelijk volgens een Babylonische kroniek al in februari 604 v. C. met zijn leger terug in Babylon.

Ook uit een ander gegeven blijkt dat het zeer waarschijnlijk is dat Nebukadnezar Jeruzalem pas bezette in het vijfde regeringsjaar van Jojakim. In de negende maand van het vijfde regeringsjaar van Jojakim (november/december 604 v. C.) werd de koning de boekrol voorgelezen die Baruch in opdracht van Jeremia beschreven had (Jer. 36:8-9). Daarin stond onder andere dat de koning van Babylon naar Jeruzalem zou komen. Koning Jojakim trok zich niets aan van de waarschuwing. Als Nebukadnezar Jeruzalem al veroverd had en koning Jojakim tot vazal gemaakt had, zou het voorlezen van de genoemde waarschuwing zinloos geweest zijn. Nadat Jeruzalem was ingenomen door de BabyloniŽrs was Jojakim drie jaar lang vazal van Nebukadnezar en betaalde hem schatting (2 Kon. 24:1).

Uit een Babylonische kroniek is bekend dat Nebukadnezar in november/december 604 v. C. Askelon belegerde en verwoestte.2 Kort na de verwoesting van Askelon, in december 604 v. C., zal Nebukadnezar naar Jeruzalem getrokken zijn en Jojakim tot overgave gedwongen hebben.

 

Resultaten van archeologisch onderzoek

Verschillende argumenten tegen het dateren van het boek DaniŽl in de zesde eeuw v. C. zijn door resultaten van archeologisch onderzoek onjuist gebleken.

In 1854 leidde J.G. Taylor opgravingen in de stad Oer, in het zuiden van MesopotamiŽ. Men groef de ruÔnes van een grote bakstenen toren op die deel uitmaakte van de tempel van de maangod Sin. Taylor vond verschillende kleicylinders die begraven waren in de overblijfselen van de toren. Ze waren beschreven met ongeveer 60 regels in Babylonisch spijkerschrift.3

De tekst bevat een beschrijving van herstelwerkzaamheden aan de tempel die koning Nabonidus had laten uitvoeren. De inscripties eindigen met een gebed van koning Nabonidus tot de maangod voor zichzelf en voor zijn zoon Bel-sarra-soer (Belsazar): "Moge ik, Nabonidus, koning van BabyloniŽ, niet zondigen tegen u. En moge mijn ontzag voor u ook wonen in het hart van Belsazar, mijn eerstgeborene en welbeminde zoon."4 Daaruit blijkt dat Belsazar de oudste zoon van Nabonidus was en dat zijn naam geen verzinsel was.

In latere jaren werden meer kleitabletten opgegraven waarin Belsazar genoemd wordt. In geen daarvan wordt hij echter koning genoemd. Dat Belsazar koninklijke rechten uitoefende, blijkt uit teksten waarin eedsformules voorkomen die gebruikt werden wanneer twee partijen een rechtsgeldige overeenkomst sloten. In die formules kwam een eed op de goden en de regerende koning voor. Er zijn inscripties gevonden met eedsformules waarbij de partijen zowel bij Nabonidus als bij Belsazar zwoeren. Tijdens andere koningen van het Nieuw-Babylonische rijk werd in eedsformules alleen de regerende koning genoemd, nimmer zijn zoon. Daaruit blijkt dat Belsazar een speciale status bezat.5


Rolzegel waarop Belsazar, de zoon van Nabonidus, genoemd wordt

In 1882 werd de Nabonidus-kroniek gepubliceerd. Daarin komt de volgende tekst voor: "Het negende jaar: Nabonidus, de koning was in Tema, terwijl de prins, de officieren en het leger in Babylon was. De koning kwam niet naar Babylon in de maand Nisanoe. Bel kwam niet naar buiten. Naboe kwam niet naar Babylon. Het nieuwjaarsfeest vond niet plaats."6

Tijdens het Babylonische Nieuwjaarsfeest, dat gevierd werd in het begin van de maand Nisanoe (maart/april), gaf de koning het beeld van de god Bel (ook Mardoek genoemd) de hand. Het beeld van de god Naboe werd uit de stad Barsippa naar Babylon gebracht.

Uit de Nabonidus-kroniek blijkt dat Nabonidus niet later dan tijdens zijn zesde regeringsjaar in Tema ging wonen en dat hij aan het eind van zijn 16e regeringsjaar, in 539 v. C., terugkeerde naar Babylon om de leiding te nemen van de strijd tegen het Medisch-Perzische leger.7

In een andere tekst wordt vermeld dat Nabonidus het koningschap toevertrouwde aan Belsazar (Vers-verslag van Nabonidus, 2.20). Als DaniŽl Belsazar koning noemt, is dat in overeenstemming met de feitelijke situatie. In officiŽle kronieken wordt Belsazar geen koning genoemd, omdat hij zolang zijn vader leefde niet het recht had de hand te geven aan het beeld van de god Bel tijdens de Nieuwjaarsviering. Dat was een voorrecht dat aan de koning voorbehouden was.8

In 1956 werd in het noorden van Saoedi-ArabiŽ een stŤle ontdekt met een inscriptie van Nabonidus erop. Hij deelt daarin mede dat hij tien jaar heen en weer trok tussen plaatsen in het noorden van ArabiŽ en niet in Babylon kwam. Van 549 tot 539 v. C. verbleef Nabonidus in de omgeving van Tema, in het noorden van ArabiŽ.9

 

Belsazar en Nebukadnezar

Dat Nebukadnezar wordt aangeduid als de vader van Belsazar, terwijl Nabonidus zijn vader was, is geen bewijs dat de schrijver niet goed op de hoogte was. Mogelijk had Nabonidus een dochter van Nebukadnezar gehuwd om zijn opvolging te legitimeren. Belsazar was in dat geval een kleinzoon van Nebukadnezar. Belsazar wordt in DaniŽl 5:22 een zoon van Nebukadnezar genoemd. In Semitische talen bestaat geen woord voor kleinzoon, zodat in DaniŽl 5:22 kleinzoon bedoeld kan zijn. Het woord voor vader wordt ook voor grootvader gebruikt. Zie bijvoorbeeld Genesis 28:13 en 31:42. Het woord vader wordt in het Oude Testament ook figuurlijk gebruikt voor voorganger.10

Koning Belsazar beloofde dat degene die het schrift dat op de muur van de feestzaal was verschenen, zou ontcijferen, de derde heerser in het koninkrijk zou worden. De schrijver van het verhaal was er dus van op de hoogte dat Belsazar mede-regent van zijn vader was en de tweede heerser was in het koninkrijk.

Nabonidus werd na zijn terugkeer naar Babylon door het Medisch-Perzische leger verslagen bij Opis aan de Tigris, in september/oktober 539 v. C.. Op 10 oktober viel de stad Sippar, 80 km ten noorden van Babylon, zonder strijd in handen van Cyrus. Nabonidus wist te ontvluchten. Op 12 oktober 539 v. C. nam een Medisch-Perzisch leger onder leiding van generaal Oegbaroe Babylon in. Uit de Nabonidus-kroniek blijkt dat Nabonidus niet in Babylon was tijdens de inname van de stad. Hij kwam na de val van de stad aan in Babylon en werd gevangen genomen.

Xenophon vermeldt dat in de nacht van de val van Babylon een koning gedood werd (Cyropaedia 7.5.29-30). Die koning moet Belsazar geweest zijn. Waarschijnlijk besloot Belsazar na de nederlaag van zijn vader bij Opis zich als koning te laten kronen. Het grote feest dat plaatsvond in de nacht waarin het Medisch-Perzische leger Babylon innam, werd dan gevierd om de kroning van Belsazar te vieren. Zo is te verklaren waarom men feest vierde, terwijl de stad belegerd werd.11

In de tijd van Herodotus was niet meer bekend dat Belsazar tijdens Nabonidus 10 jaar lang de koninklijke macht uitoefende en dat hij koning was in de nacht van de inname van Babylon. Ook het mederegentschap, dat een verklaring is voor de term "de derde heerser in het koninkrijk", was later niet meer bekend. Een Judese schrijver in de tweede eeuw v. C. zou deze bijzonderheden niet geweten hebben. De gebeurtenissen moeten beschreven zijn door een ooggetuige, in de zesde eeuw v. C..

Darius de Meder

Volgens voorstanders van een datering van het boek DaniŽl in de tweede eeuw v. C. zou de schrijver met Darius de Meder de Perzische koning Darius I (522-486 v. C.) bedoeld hebben. Hij zou gedacht hebben dat Darius I voorafging aan Cyrus en het Nieuw-Babylonische rijk veroverde.

Een Joodse schrijver in de tweede eeuw v. C. zou geweten hebben dat Cyrus het Nieuw-Babylonische rijk veroverde en de Joodse ballingen in BabyloniŽ toestemming gaf om terug te keren naar Palestina en de tempel te herbouwen (2 Kron. 36:22-23, Jes. 44:28 en Ezra 1:1). Bekend was ook dat de herbouw van de tempel geruime tijd stil lag tot aan het tweede jaar van Darius I, 521 v. C., (Ezra 4:24). Pas in het zesde jaar van Darius I (515 v. C.) werd de bouw van de tempel voltooid (Ezra 6:15,).

Darius de Meder was al 62 jaar toen hij koning werd, terwijl Darius I nog vrij jong was toen hij begon te regeren. Met Darius de Meder wordt dus door de schrijver een ander bedoeld dan Darius I.

Geruime tijd werd Darius de Meder geÔdentificeerd met Oegbaroe, die gelijkgesteld werd met Goebaroe. Oegbaroe was de generaal die de inname van Babylon door het Medisch-Perzische leger leidde. Hij stierf echter al enkele weken na de verovering van Babylon. Ten onrechte werd hij gelijkgesteld aan Goebaroe, die stadhouder van Babylon was. Goebaroe kan echter ook niet bedoeld zijn met Darius de Meder, omdat hij pas in het vierde jaar van Cyrus stadhouder van Babylon werd.12 Bovendien regeerde Darius de Meder over het gehele rijk. Hij wees 120 stadhouders over het gehele rijk aan en vaardigde een wet uit die in het gehele rijk gold (Dan. 6:2 en 8-10).

 

Darius de Meder is Cyrus

W.H. Shea kwam onder andere op grond van het bestuderen van Babylonische teksten uit het eerste jaar na de inname van Babylon tot de conclusie dat met Darius de Meder Cyrus bedoeld werd.

Cyrus was aanvankelijk koning van het door de Perzen bewoonde gebied Anshan en vazal van koning Astyages van het Medische rijk. Cambyses I, de vader van Cyrus, was gehuwd met Mandane, een dochter van Astyages. Cyrus was niet tevreden met zijn ondergeschikte rol binnen het Medische rijk. Volgens de Nabonidus-kroniek werd de Medische koning Astyages in het zesde jaar van Nabonidus, 550 v. C., verslagen door zijn kleinzoon Cyrus. Verondersteld is dat Cyrus toen de macht overnam in het Medische rijk. Volgens de Griekse historicus Xenophon werd Astyages echter opgevolgd door zijn zoon Cyaxares II. In Harran is een stŤle gevonden met een tekst waarin Nabonidus een overzicht geeft van de gebeurtenissen tijdens zijn regering. Nabonidus vermeldt een koning van MediŽ in zijn tiende jaar (546 v. C.). Daarmee moet Cyaxares II bedoeld zijn.13

Volgens Xenophon werd Cyrus na de inname van Babylon door Cyaxares II benoemd tot medekoning van het Medische rijk. Ter bezegeling van de samenwerking huwelijkte Cyaxares II zijn dochter uit aan Cyrus. Waarschijnlijk droeg Cyrus als mede-koning de titel "Darius de Meder".14

Darius de Meder wordt in het boek DaniŽl "zoon van Ahasveros" genoemd. Met Ahasveros wordt waarschijnlijk Cyaxares I, de vader van Astyages, bedoeld. Deze Medische koning sloot een verbond met Nabopolassar, de vader van Nebukadnezar. Samen veroverden ze het Assyrische rijk. Het Hebreeuwse woord voor zoon kan ook afstammeling betekenen. Via zijn moeder was Cyrus een afstammeling van koning Cyaxares. De naam Cyaxares kan in het Hebreeuws worden weergegeven met Ahasveros.15

Na zijn intocht in Babylon liet Cyrus zich niet kronen tot koning van Babylon. Hij had die functie bestemd voor zijn zoon Cambyses. Die werd in maart 538 v. C. gekroond. Uit Babylonische kleitabletten waarop overeenkomsten beschreven zijn waarin dateringen voorkomen, blijkt dat Cambyses II, de zoon van Cyrus, vanaf maart tot december 538 v. C. koning van BabyloniŽ was, met Cyrus als opperheer. Cambyses wordt in deze periode aangeduid als 'koning van Babylon' en Cyrus als 'koning van de landen' (het Medisch-Perzische rijk). Op kleitabletten die gedateerd zijn vanaf december 538 v. C. draagt Cyrus de titel 'koning van Babylon' en wordt Cambyses niet meer genoemd.16

De Babylonische schrijvers werden na de inname van Babylon geconfronteerd met de ongebruikelijke situatie dat er geen gekroonde koning van Babylon was naar wie ze konden dateren. Ze losten dat op door te dateren naar Cyrus als 'koning van de landen', waarmee het Medisch-Perzische rijk bedoeld werd. Ook na de kroning van Cambyses bleven ze die term voor Cyrus gebruiken.17

In de tijd dat Cyrus nog geen koning van Babylon was, duidde DaniŽl Cyrus aan met de titel 'Darius de Meder', die hij droeg na zijn kroning als mede-koning van het Medische rijk. Deze titel gebruikte DaniŽl voor Cyrus vanaf diens aankomst in Babylon, hoewel hij pas enige maanden later, toen hij gekroond werd tot mede-koning van het Medische rijk, deze titel kreeg.18 Nadat Cyrus tot koning van Babylon gekroond was, duidde DaniŽl hem aan als Cyrus.

Na de inname van Babylon, op 12 oktober 539 v. C., trad generaal Oegbaroe enige weken op als militair gouverneur. Nadat Cyrus op 29 oktober 539 v. C. zijn intocht had gehouden in Babylon, droeg Oegbaroe de heerschappij over Babylon aan hem over. Darius de Meder "ontving het koningschap toen hij 62 jaar oud was" (Dan. 6:1). Dit slaat op de overdracht van de macht in Babylon. De genoemde leeftijd komt overeen met wat bekend is over Cyrus.19

 

Wanneer eindigen de voorspellingen van DaniŽl?

Volgens de verdedigers van de theorie dat het boek DaniŽl geschreven werd in de tweede eeuw v. C. is het onmogelijk dat iemand in de zesde eeuw v. C. gebeurtenissen voorspelde die eeuwen later plaatsvonden. Er worden in DaniŽl 11 bijzonderheden geprofeteerd over Antiochus IV, koning van het rijk van de Seleuciden, ťťn van de opvolgingsstaten van het rijk van Alexander de Grote. De aankondiging van "de gruwel die verwoesting brengt" in DaniŽl 11:31 slaat op de ontwijding van de tempel in december 167 v. C.. Antiochus IV liet toen een nieuw, kleiner altaar plaatsen op het brandofferaltaar in de voorhof van de tempel. Dat altaar werd gewijd aan de god Zeus. Op het nieuwe altaar liet hij een varken offeren (Flavius Josephus, Joodse Oudheden XII.V.4). Volgens de aanhangers van de Makkabeentijd-datering eindigen de visioenen kort voor de dood van Antiochus IV. Daaruit wordt geconcludeerd dat het boek kort daarna voltooid moet zijn.20

De veronderstelling dat het boek DaniŽl tussen ca. 167 en 165 v. C., na de geprofeteerde gebeurtenissen, is geschreven, is alleen staande te houden als in het boek geen profetieŽn zouden staan die in vervulling gingen na ca. 165 v. C.. Sommige profetieŽn in het boek DaniŽl hebben betrekking op de tijd na Antiochus IV. De tempel is niet alleen in 167 v. C. ontwijd, maar ook in 70 na Chr..

De profetie in DaniŽl 9:27 over de gruwel der verwoesting heeft betrekking op de verwoesting van de tempel door de Romeinen, in 70 na Chr.. Tijdens het optreden van Jezus Christus moest deze voorspelling nog vervuld worden: "Als gij de gruwel der verwoesting op de heilige plaats ziet staan waarvan de profeet DaniŽl heeft gesproken... (Matth. 24:15). Jezus Christus sprak over een gebeurtenis die plaatsvond in het jaar 70 na Chr., toen Jeruzalem verwoest werd.

In DaniŽl 9:26 staat: "En het volk van een vorst die komen zal, zal de stad en het heiligdom te gronde richten." Deze profetie slaat niet op het optreden van Antiochus IV. Hij veroverde Jeruzalem en liet de tempel plunderen en ontwijden, maar hij heeft noch Jeruzalem noch de tempel verwoest. Deze profetie heeft betrekking op het jaar 70 na Chr. toen de Romeinen Jeruzalem en de tempel verwoestten.21 Volgens de voorstanders van de late datering van het boek DaniŽl is de gezalfde die gedood zal worden (Dan. 9:26) de hogepriester Onias III, die in 171 v. C. gedood werd. Gezien wat verder in DaniŽl 9:26 vermeld wordt, moet deze profetie betrekking hebben op de dood van Jezus Christus.

Een verklaring voor het feit dat in DaniŽl 11 veel aandacht wordt geschonken aan de tijd van Antiochus IV is dat deze koning een grote bedreiging vormde voor het voortbestaan van het Joodse volk en de dienst van God. Antiochus IV wilde zijn godsdienst opleggen aan het Joodse volk en verbood het naleven van Joodse godsdienstige gebruiken. De profetieŽn over deze tijd zijn bedoeld om de lezer duidelijk te maken dat God alle verschrikkelijke gebeurtenissen die plaatsvinden, heeft voorzien.22

De gebeurtenissen die genoemd worden in DaniŽl 11:40-45 hebben geen betrekking op Antiochus IV. Dit gedeelte gaat over een koning die zal omkomen in Palestina. Antiochus IV stierf in Tabae, in PerziŽ. Vanaf DaniŽl 11:40 gaat de profetie over de antichrist. Antiochus IV was het type van de antichrist.23

 

Taalkundige aspecten

Het voorkomen van drie Griekse woorden in het boek DaniŽl is geen aanwijzing dat het boek DaniŽl pas na de veroveringen van Alexander de Grote geschreven is. Grieken speelden al lang voor de tijd van DaniŽl een rol in het Nabije Oosten. Griekse goederen werden al vanaf de achtste eeuw v. C. verhandeld in het gehele Nabije Oosten.24

In Assyrische inscripties uit de tijd van Sargon II (722-705 v. C.) wordt er melding van gemaakt dat Griekse slaven afkomstig uit Cyprus, IoniŽ en LydiŽ, werden verkocht in het Assyrische rijk. Tijdens Nebukadnezar werkten Grieken in Babylon. Er zijn Nieuw-Babylonische kleitabletten gevonden met teksten waarin sprake is van het verstrekken van voedsel aan Griekse timmerlieden en scheepsbouwers in Babylon, in opdracht van Nebukadnezar. De Griekse dichter Alcaeus (ca. 600 v. C.) maakt er melding van dat zijn broer Antimenidas in het Babylonische leger diende.

Eťn van de drie Griekse woorden die in het boek DaniŽl gebruikt worden voor een muziekinstrument, symphonion, komt pas in de tijd van Plato (ca. 370 v. C.) voor het eerst voor in Griekse literatuur. We beschikken echter nog slechts over minder dan een tiende van de belangrijke Griekse literatuur van die tijd. Daarom is het niet uit te maken of een bepaald woord pas voor het eerst gebruikt werd in een bepaalde tijd.25

Er komen naast de drie Griekse woorden voor muziekinstrumenten geen Griekse woorden voor in het Aramese gedeelte van het boek DaniŽl. In 165 v. C. was het Grieks al meer dan anderhalve eeuw de taal van de heersende macht in Palestina. Het is uiterst onwaarschijnlijk dat dan nog geen enkele Griekse term uit de wereld van het bestuur zou zijn doorgedrongen in het in Palestina gebruikte Aramees.26

Er komen ca. 20 Perzische leenwoorden voor in het boek DaniŽl, zodat het boek pas kan zijn geschreven na de verovering van MesopotamiŽ door de Perzen. De Perzische woorden in het boek DaniŽl behoren tot het Oud-Perzisch. Dat wijst erop dat het boek niet geschreven is na ca. 330 v. C.. In de thans bekende Aramese geschriften uit de vijfde eeuw v. C. komen ongeveer evenveel Perzische leenwoorden voor als in het boek DaniŽl.27

 

Datering van het Aramees van DaniŽl

DaniŽl 2:4b tot en met hoofdstuk 7 is geschreven in het Aramees. In Babylon werd in de zesde eeuw v. C. door de zeer gemengde bevolking overwegend Aramees gesproken. Daarom is het niet verrassend dat DaniŽl een deel van zijn herinneringen in het Aramees schreef.

Het meest waarschijnlijk is de volgende verklaring voor de tweetaligheid van het boek. De delen van zijn boek die niet-Joodse zaken betreffen, de gebeurtenissen tijdens Nebukadnezar en Belsazar, schreef DaniŽl in het Aramees, zodat ieder ze kon lezen. De gedeelten van zijn boek die in het bijzonder van belang waren voor de Joden, hoofdstuk 1 en de profetieŽn die betrekking hadden op de toekomst van het Joodse volk (de hoofdstukken 8 tot en met 12) schreef DaniŽl in het Hebreeuws, zodat alleen Joden ze zouden begrijpen. In DaniŽl 12:9 komt de opdracht voor om de profetieŽn min of meer geheim te houden en te verzegelen tot aan de tijd van de vervulling.28

Aanvankelijk werd aangenomen dat het Aramees van het boek DaniŽl een westelijk dialect was en niet in Babylon geschreven kan zijn. Sinds 1906 zijn Aramese teksten, geschreven op papyri en scherven, die ontdekt waren bij opgravingen op het eiland Elephantine, in de Nijl bij Assoean, gepubliceerd. Deze teksten, waarvan de meeste dateren uit de vijfde eeuw v. C., waren afkomstig van de Joodse militaire kolonie die van ca. 600-400 v. C. op het eiland bestond. Het Aramees van deze teksten bleek sterk te lijken op het Aramees in de boeken DaniŽl en Ezra.29

De koningsnaam Darius wordt alleen in de oudste Elephantine-papyri geschreven als dr(y)ws, evenals in het boek DaniŽl. In alle andere Aramese teksten vanaf ca. 420 v. C. wordt een h toegevoegd aan de naam.30

Na bestudering van Aramese geschriften die dateren uit de vijfde eeuw v. C. werd in de jaren dertig geconcludeerd dat een Perzische koning - waarschijnlijk Cyrus - het in BabyloniŽ gangbare Aramees tot ambtelijke taal in zijn rijk verhief, het Rijksaramees, dat vanaf de zesde eeuw tot ca. 330 v. C. gangbaar in het westelijk deel van het Perzische Rijk. De Aramese gedeelten van DaniŽl zijn in dit Rijksaramees geschreven.31

In grotten in de omgeving van Qumran zijn sinds 1947 behalve Hebreeuwse ook Aramese teksten gevonden, zoals fragmenten van het geschrift 'Genesis Apocryphon' een apocriefe aanvulling op het boek Genesis, die uit de eerste eeuw v. C. dateert. Als het boek DaniŽl geschreven zou zijn in ca. 165 v. C., zou er sprake geweest moeten zijn van opvallende overeenkomsten wat betreft de grammatica, de stijl en de woordenschat. Er bleken echter aanzienlijke verschillen te bestaan tussen het Aramees van Genesis Apocryphon en het Aramees van DaniŽl. Het Aramees van Genesis Apocryphon dateert van eeuwen later dan dat van DaniŽl en Ezra.32

In de Septuagintvertaling van het boek DaniŽl, die dateert van ca. 100 v. C., berust de vertaling van Aramese termen voor staatsambten die voorkomen in het boek DaniŽl op gissingen, omdat de vertalers de betekenis ervan niet meer wisten. Het is onwaarschijnlijk dat de betekenis van Aramese termen die gangbaar waren in ca. 165 v. C. al na ca. 60 jaar vergeten waren door de Joden in Egypte, die zowel Aramees als Grieks spraken.33

Op grond van studie van Aramese teksten uit verschillende eeuwen is thans een goed inzicht mogelijk in de ontwikkeling van het Aramees. Dat heeft tot de conclusie geleid dat het dateren van het Aramees van het boek DaniŽl in de tweede eeuw v. C. niet te handhaven is.34

Over de datering van het Hebreeuws in het boek DaniŽl bestaat minder duidelijkheid en overeenstemming. In Qumran zijn Hebreeuwse geschriften gevonden die dateren uit de tweede eeuw v. C., zoals 'De oorlog van de Zonen van het Licht tegen de Zonen van de Duisternis en 'de Dank-Psalmen'. Deze geschriften hebben taalkundige kenmerken die niet voorkomen in de Hebreeuwse hoofdstukken van het boek DaniŽl.35

De vier rijken

Een zwak punt in de theorie dat het boek DaniŽl in de tweede eeuw v. C. werd geschreven, is de interpretatie van de vier wereldrijken die Nebukadnezar in een droom te zien kreeg. De vier rijken worden in DaniŽl 7 en 8 voorgesteld als dieren. Tot de opkomst van de bijbelkritiek werd algemeen verdedigd dat de vier rijken waren: het Nieuw-Babylonische, het Medisch-Perzische, het Grieks-Hellenistische rijk en het Romeinse rijk.

Als gebeurtenissen niet voorspeld kunnen worden, kan het vierde rijk niet het Romeinse rijk zijn. De voorstanders van het dateren van het boek DaniŽl in de tweede eeuw v. C. moesten een nieuwe interpretatie van de vier rijken geven. Volgens hen kwam na het Nieuw-Babylonische rijk het Medische, daarna het Perzische en als vierde het Grieks-Hellenistische rijk.

In het boek DaniŽl wordt het rijk van de Meden en de Perzen echter als ťťn rijk beschouwd. In DaniŽl 5:28 staat dat het rijk van Belsazar aan de Meden en Perzen is gegeven. In DaniŽl 8:20 wordt uitgelegd dat de ram het beeld is van de koningen van de Meden en Perzen. De ram heeft twee horens (Dan. 8:3), een aanduiding voor de twee samenstellende delen van dit rijk. Darius de Meder is gebonden aan de "wet van Meden en Perzen" (Dan. 6:9,1316). Als hij een zelfstandige koning van de Meden was geweest, was er geen sprake geweest van een wet van Meden en Perzen.

In DaniŽl 7 verschijnt het tweede rijk in de gedaante van een dier dat leek op een beer. Het dier verslond drie ribben. Dat komt overeen met de drie grote veroveringen van het Medisch-Perzische rijk: LydiŽ, het Nieuw-Babylonische rijk en Egypte (tijdens Cambyses, de zoon van Cyrus). Als het tweede rijk het Medisch-Perzische is, moet het derde rijk het Griekse rijk zijn en het vierde het Romeinse rijk.

Het derde dier uit DaniŽl 7 is een panter met vier vleugels en vier koppen. Het rijk van Alexander de Grote viel na zijn dood in vier delen uiteen. Volgens de voorstanders van de late datering van DaniŽl was het Perzische rijk het derde. Dat rijk is echter niet in vier delen uiteengevallen. Het vierde rijk moet dus het Romeinse rijk geweest zijn.

In DaniŽl 8 wordt het Grieks-Hellenistische rijk voorgesteld als een geitebok. Aanvankelijk had het dier ťťn horen: Alexander de Grote. Daarna brak de horen af er kwamen er in zijn plaats vier horens. In DaniŽl 8:22 wordt dat uitgelegd: vier koninkrijken zullen uit het rijk ontstaan: de Hellenistische opvolgersstaten.

Dat het Romeinse rijk het vierde rijk is, blijkt ook uit DaniŽl 2:44 waar staat dat God in die tijd een koninkrijk zal oprichten dat in eeuwigheid niet te gronde zal gaan. Dat koninkrijk der hemelen kwam tijdens het optreden van Christus Jezus, tijdens het Romeinse rijk. (Matth. 3:2, Marc. 1:15, Luc. 4:43).

De volgorde der rijken die de voorstanders van de late datering van DaniŽl bepleiten, leidt tot onoplosbare problemen bij het uitleggen van de betekenis van de bijzonderheden over de rijken die in de visioenen gegeven worden.

 

Conclusie

In het boek DaniŽl worden bijzonderheden over de ondergang van het Nieuw-Babylonische rijk vermeld die alleen bekend geweest kunnen zijn aan iemand die de gebeurtenissen van nabij meemaakte. Het Aramees waarin een deel van het boek geschreven is, dateert niet uit de tweede eeuw v. C., maar van eeuwen eerder. Vanwege het feit dat nauwelijks betwijfeld kan worden dat de eerste zes hoofdstukken van het boek DaniŽl in de zesde eeuw v. C. geschreven zijn, kwam de hypothese op dat een schrijver in de tweede eeuw v. C. de visioenen in de hoofdstukken 7 tot en met 12 toevoegde aan een bestaand geschrift. Zelfs is verdedigd dat er drie redacteuren van het boek DaniŽl onderscheiden kunnen worden. In het boek komt echter duidelijk een eenheid van doel en opzet tot uitdrukking. De literaire kenmerken zijn dezelfde in het gehele boek. De boodschap over de toekomstige rijken is in alle visioenen dat die rijken ten val zullen komen.36 Na afweging van alle argumenten moet de conclusie luiden dat het boek DaniŽl geschreven werd aan het eind van de zesde eeuw v. C..

drs. J.G. van der Land

 


Noten

1. E. Vogt, Die Neubabylonische Chronik Łber die Slacht bei Karkemisch und die Einnahme von Jerusalem, VT Supplement 4, 1957, p. 74-75.
2. D.J. Wiseman, Chronicles of the Chaldaean Kings (626-556 B.C.) in the British Museum, Londen 1956, p. 27-28.
3. A.R. Millard, Daniel and Belshazzar in History, BAR 11, 1985, 3, p. 74-75.
4. C.J. Gadd, History and Monuments of Ur, Londen 1929, p. 34-36.
5. Millard, a.w., p. 75-76.
6. J.J. Collins, Daniel. A Commentary on the Book of Daniel, Minneapolis 1993, p. 32.
7. W.H. Shea, Nabonidus, Belshazzar and the Book of Daniel: an Update, Andrews University Seminary Studies, 20, 1982, p. 134.
8. J.C. Baldwin, Daniel. An Introduction and Commentary, Leicester 1978, p. 22.
9. G. Maier, Der Prophet Daniel, Wuppertal 1982, p. 37.
11. Baldwin, a.w., p. 22-23.
11. Shea, Nabonidus, a.w., p. 144.
12. W.H. Shea, Darius the Mede in his Persian-Babylonian setting, Andrews University Seminary Studies, 29, 1991, p. 234.
13. Idem, p. 235.
14. Idem, p. 240, 243.
15. Idem, p. 252-254.
16. Idem, p. 237.
17. Idem, p. 248.
18. Idem, p. 243-244, 248.
19. Idem, p. 244-245.
20. G.L. Archer, A Survey of Old Testament Introduction, Chicago 1974, p. 403-404.
21. Baldwin, a.w., p. 171.
22. Archer, a.w., p. 404.
23. A.J. Ferch, The Book of Daniel and the "Maccabean Thesis". Andrews University Seminary Studies, 21, 1983, p. 134.
24. Baldwin, a.w., p. 33.
25. Archer, a.w., p. 395-396.
26. Archer, a.w., p. 397; K.A. Kitchen, The Aramaic of Daniel, in: D.J. Wiseman, Notes on Some Problems in the Book of Daniel, Londen 1965, p. 50.
27. Kitchen, a.w., p. 77.
28. Archer, a.w., p. 399.
29. K. Koch, Das Buch Daniel, Darmstadt 1980, p. 41.
30. Idem, p. 44-45.
31. Idem, p. 43.
32. Archer, a.w., p. 401.
33. Idem, p. 396-397.
34. Idem, p. 400-401.
35. Idem, p. 400.
36. Baldwin, a.w., p. 39-40.

 

Copyright © J.G. van der Land, 1999.


Aantal bezoekers sinds 29 mei 2000:


UNIVERSI FINIS VERITAS!

 

Pagina Layout: Copyright © 1998-2000 Stichting Europese Apologetiek
Pagina gemaakt op: 29 mei 2000
Pagina bijgewerkt op: 

Algemene disclaimer: 
Het is de bedoeling van de stichting Europese Apologetiek (verder aangeduid met: "de stichting") om wetenschap en onderzoek te bevorderen. Het is geenszins de bedoeling van de stichting of van de evtl. auteurs van artikelen om mensen te kwetsen of hen een slechte naam te geven, maar integendeel te helpen qua rationele inzichten en te waarschuwen voor mogelijke gevaren, zoals sekten en andere dubieuze bewegingen. De inhoud van de artikelen, recensies, enz. vertegenwoordigt de mening van de auteurs en niet per se van de stichting. 
M.b.t. het toeschrijven van sommige (bijv. sektarische, onethische, irrationele, bijgelovige, occulte, enz.)  eigenschappen aan bepaalde groepen, stromingen of individuen op webpages van deze site: het gaat hier alleen om meningen en niet om stellingen van juridische kracht; er wordt alleen aangegeven dat er mogelijkheid is voor het toewijzen van die eigenschap(pen) aan de genoemde groepen. Dit geldt ook voor de keuze van links naar andere sites, of links naar offsite artikelen. 
Hiermee bent u, bezoeker van deze site, erop attent gemaakt dat de pagina's en de links op deze site, u kunnen confronteren met kritische meningen. Het is geheel uw eigen verantwoording als u ervoor kiest om verder te gaan kijken en de stichting stelt zich hiervoor niet aansprakelijk.