door
Samenvatting :
De graduele ontwikkeling van soorten, inclusief van de soort homo sapiens sapiens behoort
inmiddels tot de vrijwel onomstreden paradigmata van de natuurwetenschappen. De vraag is echter
of alle consequenties van de geopperde verklaringsprincipen van deze ontwikkeling zijn
doorgedacht. Binnen deze denkkaders lijkt het namelijk onmogelijk een ethiek op meer dan totaal
toevallige conventies te grondvesten. Om echter een genuanceerd beeld te krijgen op de verschillende "lagen" in de evolutie-theorie, door o.a. feiten en theorieën zo helder mogelijk te scheiden, zullen we in een eerste deel
van dit artikel vanuit een historisch overzicht, via Darwin, naar de moderne versies van deze
theorie gaan. In een tweede deel willen we dan de verschillende moeilijkheden met de
verklaringsprincipes zoals ze nu door de meerderheid van de biologen gehouden worden aan de
orde stellen.
Moeilijkheid :
Opmerking voor het lezen :
Deze paper is heel uitgebreid en bevat ook heel veel noten, sommigen met veel
informatie. Als u tijdens het lezen de noten vaak wilt consulteren, dan
adviseren we u deze file nog een keer te openen (dus in een tweede
venster), en dan het ene venster te gebruiken om de paper te lezen, en het
andere venster te gebruiken om de noten te bekijken.
© Everard de Jong, Maastricht, 1998
De graduele ontwikkeling van soorten, inclusief van de soort homo sapiens sapiens behoort inmiddels tot de vrijwel onomstreden paradigmata van de natuurwetenschappen. De vraag is echter of alle consequenties van de geopperde verklaringsprincipen van deze ontwikkeling zijn doorgedacht. Binnen deze denkkaders lijkt het namelijk onmogelijk een ethiek op meer dan totaal toevallige conventies te grondvesten.
Om echter een genuanceerd beeld te krijgen op de verschillende "lagen" in de evolutie-theorie, door o.a. feiten en theorieën zo helder mogelijk te scheiden, zullen we in een eerste deel van dit artikel vanuit een historisch overzicht, via Darwin, naar de moderne versies van deze theorie gaan. In een tweede deel willen we dan de verschillende moeilijkheden met de verklaringsprincipes zoals ze nu door de meerderheid van de biologen gehouden worden aan de orde stellen.
I. HISTORISCH OVERZICHT VAN OPINIES OVER DE EVOLUTIE VAN SOORTEN
A. Tot aan Darwin: van een statische "ketting van zijnden" tot aan de evolutie van soorten
B. Darwin
D. De huidige staat van paleontologische en archeologische vondsten m.b.t. de menselijke evolutie
II. PROBLEMEN MET DE EVOLUTIETHEORIE
A. De geleidelijkheid van de evolutie van de fossielen
B. Toevallige mutaties, adaptaties en natuurlijke selectie als verklaringsprincipes
III. GOD EN EVOLUTIE
Noten
In het algemeen kunnen we stellen dat het wereldbeeld tot aan de negentiende eeuw een statische visie had op de verschillende soorten levende wezens. Er zijn echter enige uitzonderingen, die openingen bieden naar een meer dynamische opvatting.
Empedocles (483/2-423 v.Chr.) hield dat de aarde in het begin allerlei soorten wezens voortbracht zonder orde. (1) In dat proces hebben bepaalde schepselen op een toevallige wijze zekere lichaamsdelen verworven die het meest waardevol bleken te zijn om te overleven - een vaag prototype van natuurlijke selectie. (2)
Aristoteles (384-322) kende het planten- en dierenrijk en het mensdom als de drie grote afzonderlijke klassen levende wezens. Binnen deze drie rijken bestaat er een vanzelfsprekende ordening van geslachten en soorten. Tevens kende hij reeds het begrip Scala Naturae, (3) het feit dat de verschillende koninkrijken van soorten aan elkaar grenzen, in een lineaire continuïteit.
Hij was echter niet geheel tegen verandering van soorten. Zo was het voor hem mogelijk dat de mensheid en de viervoeters spontaan gezamenlijk uit een larve zouden zijn ontstaan, waarna ze later tot de ons bekende soorten zouden zijn ontwikkeld. Hij zag ook nieuwe diersoorten ontstaan door hybridisatie.
De Stoa kende de Logoi Spermatikoi, (4) rationele zaadjes van leven die overal zorgen voor ontwikkeling. Deze leer, die via Plotinus (5) ook Augustinus (354-430) bereikte, kreeg daar de betekenis dat de vorm van de soorten van levende wezens in aanleg in elementaire factoren, de zgn. rationes seminales, (6) liggen en een zekere mogelijkheid van evolutie van soorten niet uitsluit.
Volgens St. Thomas van Aquino (1225-1275) zijn de dingen in hun volmaakte staat geschapen. "In de natuurlijke orde gaat het volmaakte vooraf aan het onvolmaakte, zoals de act (dat is: de verwerkelijking) aan het vermogen voorafgaat." (7) In de orde van het natuurlijke ontstaan, echter, meende hij dat de natuur voortgaat van het onvolmaakte naar het volmaakte. (8) Deze twee ideeën gecombineerd leidden tot de conclusie dat God de levende wezens in een volwassen staat schiep, m.n. ook omdat Hij hen met de eeuwigheid van de soort in gedachten in het bestaan riep, wat de mogelijkheid van voortplanting insloot. (9)
Het feit van een ontwikkeling van soorten kan m.i. bij hem echter niet geheel worden uitgesloten. (10) Immers, dingen willen volgens Thomas lijken op de dingen van een hogere klasse. (11) Lagere soorten bevatten in zich de potentialiteit tot de hogere. (12) St. Thomas van Aquino kent en accepteert nl. ook de theorie van de rationes seminales. (13) Ook erkende hij de in de middeleeuwen algemeen gangbare theorie van de generatio spontanea, het feit dat uit levenloze stof levende wezens voortkomen door inwerking van het zonlicht en andere kosmische factoren. (14) In hoeverre de filosofie van Thomas van Aquino echter te verzoenen valt met de gedachte van ontwikkeling van soorten is nog omstreden. Wel lijkt het dat H. André (15) erg ver gaat als hij Thomas' materie-vorm leer in de evolutionaire hypothese verwerkt. Wel is in ieder geval zeker dat voor St. Thomas de mens, met zijn geestelijke natuur, niet uit lagere soorten voortkomt. (16)
Descartes (1596-1650) had een statische visie op de soorten. Leibniz (1646-1716), echter, in zijn Protogaea (1693), waarin hij vondsten van fossielen beschreef, dacht dat de ketting van zijnden weliswaar uiterlijk verandert, maar innerlijk (qua monaden) constant blijft. (17) Overigens lijken deze monaden op de rationes seminalis: ze bevatten de hele ontwikkeling reeds vanaf hun aanvangsstadium. (18)
Een uitgebreide versie van de scala naturae, de "getrapte orde", werd in de achttiende eeuw populair in de Duitse "Naturphilosophie", waarover straks meer. De Fransman George Louis Leclerc, Comte de Buffon (1707-1788), sloot de mens in zijn 36 volumes tellende Histoire naturelle générale et particulière (1749vv.) nog van deze orde uit, maar de Zwitser Bonnet (1720-1793) gaf de mens een plaats in de ketting van zijnden en plaatste hem naast de orang-oetang. Bonnet kende18 hoofdstadia in de ongebroken, graduele overgang in de natuur van de mens, via viervoetige dieren, vogels, vissen, slangen, schelpen, insekten, planten, fossielen, stenen, zouten, metalen, halfmetalen, aarde, water, lucht, naar vuur en nog subtielere zaken. (19) Maar deze scalae waren nog statisch.
In de tussentijd, echter, werden er verscheidene stappen gezet op de weg naar een meer dynamische visie op de manier waarop de soorten zijn ontstaan.
Denis Diderot (1713-1784), in zijn gedurfde Le rêve de D'Alembert (1769) (20), vatte veel ideeën van een niet statische visie op de natuurlijke geschiedenis als volgt samen:
Verander het Al, en noodzakelijkerwijs verander ik mee. Maar het Al verandert onophoudelijk…Alle wezens gaan in elkaar over,- dus ook alle soorten… alles bevindt zich in een eeuwigdurende stroom… Ieder dier is min of meer mens, elk mineraal min of meer plant, iedere plant is min of meer dier. Niets is nauwkeurig afgebakend in de natuur… Dus niets behoort tot het wezen van een afzonderlijk iets… Nee, natuurlijk niet, want er bestaat immers geen eigenschap of ieder wezen heeft er wel iets van in zich… Bent u het niet met mij eens dat alles in de natuur samenhang vertoont en dat er onmogelijk een open plek kan zijn in de keten? Er is slechts één groot individu: het geheel… En jullie praten over essenties, arme filosofen! Hou er toch over op!… Wat is een wezen?…De som van een bepaald aantal strevingen… En wat zijn soorten?…Niets anders dan strevingen naar een gemeenschappelijk doel, kenmerkend voor elk van hen…En wat komt het erop aan of men de ene structuur heeft of de andere? Iedere structuur heeft een geluk en een ongeluk die bij de structuur horen…van bladluis tot ontvankelijke levende molecuul, de oorsprong van alles… er is geen punt in de hele natuur, of het kent pijn en genot. (21)
Ook Jean-Jeacques Rousseau (1712-1778) impliceerde de mogelijkheid tot verandering toen hij schreef:
Hoe belangrijk het ook moge zijn - ten einde zich een goed beeld te kunnen vormen van de mens in zijn natuurlijke staat, om hem te kunnen volgen vanaf zijn oorsprong, en om hem als het ware te kunnen onderzoeken in de embryonale fase van de soort - ik zal toch niet de opeenvolgende ontwikkelingen in zijn lichaamsbouw nalopen. Ik zal niet stilstaan bij een onderzoek naar het systeem van het dierenrijk, om na te gaan hoe hij in het begin geweest kan zijn, om tenslotte te worden wat hij is. Ik zal niet onderzoeken of, zoals Aristoteles denkt, zijn lange nagels wellicht in het begin gekromde klauwen waren; of hij wellicht behaard was als een beer; of hij wellicht op vier poten liep, de blik gericht op de grond, en het blikveld beperkt to een horizon van enkele stappen - wat dan zijn stempel zou hebben gedrukt op de aard zowel als de beperkingen van zijn ideeën. (22)
Daarnaast moeten we zeker G.-F. Hegel (1770-1831) niet vergeten, die in zijn visie van een zich dialectisch ontwikkelende wereldgeest tot een absolute Geest een intrinsiek dynamisch wereldbeeld voorstond. (23)
Een voorwaarde sine qua non in de richting van fylogenetisch denken is door C. von Linné (Linnaeus)(1707-1778) gegeven, de fameuze bioloog die de biologische soorten van planten en dieren systematiseerde (Systema Naturae 175810) in vier niveaus: klassen, orden, genera en species. (24) Zo heeft hij het conceptuele raamwerk voor een wetenschappelijke studie van de evolutietheorie gelegd. (25) Zijn werken zijn symptomatisch voor de zich in die tijd voltrekkende algemene tendens van een statische naar een min of meer dynamische kijk op de hiërarchie van levende zijnden. Ofschoon Linnaeus de overgang van de ene soort in de andere ontkende, en het niet graduele van soorten beklemtoonde (twee perfecte essentialistische concepten), stemde hij later toch in met de mogelijkheid van hybridisatie bij het ontstaan van soorten.
Als een reactie op het rationalistische, mechanistische en reductionistische "Cartesiaanse" denken van de Verlichting, ontwikkelde er zich in Duitsland een tak van de filosofie die Naturphilosophie werd genoemd. (26) De algemene idee achter deze stroming was een organische en unificerende kijk op het leven, waarbij veel - soms ver gezochte - analogieën werden gevonden en verwoord. Dit naar eenheid zoeken in de natuur veroorzaakte een zoektocht naar de originele levensvormen en impliceerde een idee van ontwikkeling. M.n. de tak van de wetenschap die zich Morphologie noemde, (27) welke een sterke invloed had op Darwin, (28) was geïnteresseerd in dit type van problemen. Een denker die tot deze theorie aanzet heeft gegeven was allereerst Immanuel Kant (1724-1804), met zijn theorieën over de categorieën en een intellectus archetypus, dat de principes van de organisatie van levende wezens coördineert en dat de waarneming van de eenheid van een organisme veroorzaakt. (29) Verder waren het Herder (1744-1803), Oken (1779-1851), (30) en Schelling (1775-1854) die dachten dat het eerste zaad van een soort die soort nog niet volmaakt belichaamt, maar dat door de druk van de omgeving de latere individuen de soort steeds volmaakter tot uitdrukking brengen. (31) Deze natuurfilosofen spraken veel over ontwikkeling, hetzij als een preëxisterende en ontvouwende potentialiteit, hetzij als een sprongsgewijze oorsprong van nieuwe typen. Velen van hen accepteerden evolutionair denken als de oorsprong van nieuwe soorten, en één van hen, Meckel (1781-1833), die in zijn System der vergleichenden Anatomie (1821) (32) stelde dat de variaties van de verschillende soorten een gemeenschappelijk oerorganisme niet uitsluiten, (33) noemde zelfs vier mogelijke mechanismen van evolutie: 1. Een frequent voorkomen van spontane generatie; 2. Een innerlijke neiging tot verandering; 3. Een direct effect van de omgeving; 4. hybridisatie. (34)
J.W. von Goethe (1749-1832) moet ook binnen deze lijn worden gezien. Hij probeerde de "Urtypen"of "Urbilder" van levende wezens te ontdekken. (35) Franz Unger, de leraar van Gregor Mendel, zocht naar de "Urpflanze" waaruit alle andere planten zouden zijn ontstaan, (36) en hetzelfde geldt voor Geoffroy Saint-Hilaire (1772-1844). Deze laatste zocht voor homologieën (37) tussen organen, met als criterium het principe van verbindingen: dezelfde plaats, relaties en afhankelijkheden tussen organen, wijzen op de homologie van structuren, zelfs wanneer deze organen grotendeels zijn getransformeerd. (38)
Deze vondsten bereidden de volgende stappen voor:
Tot Leibniz was de volgorde van soorten continue en statisch gedacht.
George Cuvier (1769-1832), een empirisch morfoloog, ontdekte bepaalde principes, zoals de correlatie van delen, volgens hetwelk slechts bepaalde groepen van kenmerken harmonieus kunnen samenwerken. Dit principe is gefundeerd op de principes van a. de voorwaarden voor het bestaan (slechts bepaalde correlaties kunnen geschikt zijn binnen een bepaalde omgeving) (39) en b. het principe van de ondergeschiktheid van de karakters. (40) Als een gevolg van het toepassen van deze principes, toonde hij aan dat er vier basisvormen van dieren bestaan: gewervelden (b.v. vissen en de mens), weekdieren (b.v. mosselen en inktvissen), geleedpotigen (b.v. articulata zoals bijen en kreeften) (41) en cirkelvormige dieren (b.v. kwallen en zeesterren). Terecht merk Young dan ook op: "Het zou nooit meer mogelijk zijn dieren in een lineaire serie onder te brengen." (42) Deze morfologen legden dus de fundering van de theorie van de gemeenschappelijke afstamming. (43)
Dit alles leidde tot de interpretatie van de scalae naturae als een soort van familie-stamboom. Het waren m.n. Buffon and Bonnet (44) die impulsen gaven tot het idee van deze genealogische stamboom. P.S. Pallas (1741-1811) vermeldde in 1766 voor het eerst de term "arbre généalogique".
Nadat Robert Hooke (1635-1703) d.m.v. zijn microscoop had ontdekt dat fossielen op levende dieren lijken, werd dit bevestigd door Niels Stenson oftewel Steno (1638-86), die later katholieke bisschop van Noord Duitsland en Denemarken werd en die onlangs zalig is verklaard. Deze laatste ontdekte dat de lagen waarin fossielen te vinden zijn te beschouwen zijn als geologische tijd-roosters. (45) Deze theorie werd later uitgewerkt door Buffon's The Epochs of Nature (1778), Abraham Werner's (1749-1786) Short Classification and Description of the Different Rocks (1786), en Hutton's (1726-1797) "Theory of the Earth" in de Transactions of 1788. (46) Deze uitleg van de fossielen-strata was een voorwaarde voor het onderkennen van de ontwikkeling van de gevonden fossielen. Belangrijker nog was het feit dat George Cuvier (1769-1832) opmerkte dat er veel fossiele soorten uitgestorven zijn, een gegeven dat hij verklaarde door grote natuurlijke catastrofes. (47)
Een andere belangrijke stap in de richting van een evolutionaire theorie in dit gebied van de geologie werd gedaan door Charles Lyell (1797-1875) met zijn Principles of Geology (1830-33). (48) Daarin viel hij de theorie van de plotselinge revoluties in de geologie aan. Hij stelde dat vóór hem de grote geologische tijdschalen ondergewaardeerd waren. Ook beweerde hij dat de snelheid van veranderingen toen niet anders was dan nu. Hij erkende een geleidelijke verandering van omgeving als een mogelijke oorzaak van uitsterven van soorten. Deze soorten moesten dan vervangen worden door andere, die beter aan de omgeving zijn aangepast.
Een belangrijke impuls voor de evolutietheorie werd gegeven door de strijd tussen preformistisch en epigenetisch denken. (49) Jan Swammerdam (1637-80), Marcello Malpighi (1628-1694), Albrecht von Haller (1708-1777) en Bonnet (1720-93) waren zogenaamde "preformisten" volgens welke de ontogenese (individuele ontwikkeling) niets anders is dan een "geleidelijke en natuurlijke evolutie en groei van de delen". (50) Dit betekent dat volgens hen een nieuw individu aan het begin compleet is, maar nog niet volgroeid.
In het midden van de achttiende eeuw bestonden er twee soorten preformistische theorieën: de ovisten, zoals Swammerdam, die leerden dat menselijke wezens vóórbestaan in het ei en de spermisten, zoals Boerhaave (1668-1738), die dachten dat het menselijk individu reeds bestaat in het mannelijk zaad. (51) Een van de laatste preformistische biologen was Cuvier (1769-1832).
Tegenover dit preformisme stonden Aristoteles, William Harvey (1578-1657), (52) Buffon (1707-88), C.F. Wolff (1734-94) en John Needham (1713-81), die de theorie van de epigenese aanhingen, d.w.z. de geleidelijke formering van organen en lidmaten uit de oorspronkelijke vloeistof. Deze visie werd gecorroboreerd, toen rond de eeuwwisseling (1800) de anatomen begonnen te ontdekken dat bij de ontwikkeling van de foetus niet de expansie van een reeds voorgevormde volwassene van die soort optreedt, maar de stapsgewijze ontvouwing van volwassen vormen van primitievere soorten.
Het gebruik van de term evolutie was tot 1830 algemeen in gebruik voor de ontwikkeling van organen in het preformistische paradigma. (53) In de dertiger jaren van de vorige eeuw, toen de theorie van de epigenese de overhand kreeg, werd de betekenis van deze term steeds meer verwant met het dynamische paradigma van de epigenese.
De theorie van epigenese vormt de voorwaarde voor de volgende impuls in de richting van een evolutionisme: de theorie van recapitulatie: het embryo lijkt het doorlopen van hiërarchie van de soorten beneden het in de ketting van zijnden te recapituleren. Inderdaad, veel geatrofieerde en rudimentaire vormen bestaan in embryo's en zelfs later in volwassenen, (54) zoals kieuwen in mensen. (55)
Het idee van recapitulatie bestond in zekere zin reeds bij Aristoteles, die dacht dat er bij de ontwikkeling van het individu een opeenvolging is van vegetatieve, sensitieve en menselijke ziel. (56) Bonnet, in de achttiende eeuw, is hoofdzakelijk verantwoordelijk voor het overdragen van de individuele evolutie op de evolutie van de soort, door zijn invloedrijke Considerations sur les corps organisés (1762). Hij geloofde dat tijdens catastrofes de zaadjes worden bewaard, die zich opnieuw kunnen ontwikkelen tot meer volmaakte soorten. (57)
De eerste die deze theorie echter gehouden heeft, lijkt John Hunter (1728-93) te zijn geweest in 1782. (58) In 1793 stelde Karl Friedrich Kielmeyer (1765-1844) hetzelfde, door op te merken dat de wetten die de evolutie van soorten sturen ook de evolutie van de embryo's regelen. (59) J.H. Autenrieth (1772-1835) paste dit principe dan toe op de menselijke foetale ontwikkeling (60) en werd hierin gevolgd door Johan Meckel in 1806. (61)
Ook Erasmus Darwin, de grootvader van Charles, beweerde in zijn Zoonomia (1794-96) dat de ontwikkeling van de soort analoog is aan de embryonale ontwikkeling. Zoals de foetus in de schoot verandert door gevoeligheden en prikkelingen, zo veranderen ook de soorten omwille van dezelfde reden.
Uit deze weergave van voortplanting volgt, dat alle dieren een vergelijkbare oorsprong hebben, namelijk uit één enkele levende stam. Het verschil in hun vorm en kwaliteiten is slechts opgekomen vanuit de verscheidene prikkelbaarheden en gevoeligheden, vrijheden of associaties van deze originele levende. Vandaar is het niet onmogelijk, zoals Linnaeus al had vermoed ten aanzien van de plantenwereld, dat de grote variëteit van soorten en dieren die nu op aarde gevonden wordt, hun oorsprong gehad kan hebben in de mengeling van een paar natuurlijke ordes. (62)
Tegen de jaren twintig van de negentiende eeuw had het recapitulatie-principe van de Duitse biologen veel weerklank gevonden. In 1821 verklaarde J. Meckel: "De ontwikkeling van het individuele organisme gehoorzaamt aan dezelfde wetten als de ontwikkeling van de gehele dieren reeks; dat wil zeggen dat het hogere dier, in zijn geleidelijke evolutie, wezenlijk door dezelfde permanente organische fasen die er beneden liggen." (63) In 1824 drukte Etienne R.A. Serres (1786-1868) dit idee erg duidelijk uit, toen hij schreef:
Embryo's, derhalve, zijn niet, zoals wel eens werd voorgesteld, een miniatuur volwassen dier. Voor ze hun permanente vorm bereiken, doorlopen hun organen een veelheid van vluchtige vormen, te beginnen met de meest eenvoudige. Opmerkelijk is dat de embryonale vormen in de hogere klassen vaak de permanente vormen van de lagere klassen herhalen." (64)
Darwin was direct beïnvloed door L. Agassiz, die de theorieën van Meckel and Serres overnam, en breidde de theorie uit tot een parallellisme van ontwikkeling van ontogenese en geologische ontwikkeling: "...de oudste vertegenwoordigers van elke klas mogen beschouwd worden als embryonale typen van hun respectievelijke orden of families onder de levende wezens". (65)
Normaal gesproken is deze theorie toegeschreven aan Ernst Haeckel, die m.n. verantwoordelijk was voor haar popularisering in de vier decennia na 1870. In 1866 publiceerde hij zijn biogenetische wet, volgens welke "ontogenese een beknopte en samengeperste recapitulatie is van fylogenese, geconditioneerd door de wetten van erfelijkheid en aanpassing." (66)
K.E. von Bear (1792-1876), echter, was een heftig bestrijder van deze theorie, (67) juist zoals Richard Owen vanaf 1837, (68) maar beiden hadden invloed op Darwin. (69)
Een volgende impuls voor het evolutionaire denken komt van P.L. Maupertius (1698-1759), die, teruggaande tot Lucretius (98-54 v.Chr.) en de Epicureeërs, de toevallige spontane veroorzaking van veel soorten benadrukte en de speciatie van andere door mutatie. Zoals voor de oude filosofen de altijd-aanwezige levende "atomen" in staat zijn om in bepaalde gevallen door toeval tot hogere conglomeraten te combineren, zo zouden voor Maupertius massieve spontane generaties en extincties kunnen optreden. Toeval, zou men in deze visie kunnen zeggen, heeft een groot aantal individuen opgeleverd. Een klein deel daarvan waren zo georganiseerd dat de organen van deze dieren in hun nood konden voorzien. (70) Ook Buffon had een dergelijke theorie. (71)
Thomas Malthus (1766-1834), met zijn theorie van populatie-controle, (72) had de invloed op Darwin die de laatste als volgt beschreef:
In Oktober [in feite 28 september] 1838, dat is vijftien maanden nadat ik met mijn systematische onderzoeking was begonnen, heb ik voor de ontspanning Malthus over populatie gelezen. Door langdurige observatie van de gewoonten van dieren en planten was ik goed voorbereid om de strijd om de overal bestaande strijd om het bestaan op zijn waarde te schatten. Het trof me opeens dat onder deze omstandigheden de gunstige variaties zouden neigen naar instandhouding, en de ongunstige naar verwoest worden. Het resultaat van dit zou de vorming van nieuwe soorten zijn. Hier had ik dan eindelijk een theorie om mee te werken. (73)
Dit idee van de strijd om het bestaan was oud, (74) maar populair geworden in de twee decennia voor de Origin. Darwin kwam het idee ook tegen in de geschriften van Lyell. (75)
De natuurlijke selectie (76) is een gevolg van de strijd om het bestaan. Het concept van "survival of the fittest", nam Darwin in latere edities van zijn Origin over Van Herbert Spencer. (77)
Maar voor al deze biologen van vóór ± 1800 bleef de natuur essentieel statisch. (78)
De werkelijke doorbraak in de richting van evolutionisme, kwam met Jean-Baptiste Lamarck (1744-1829), (79) die, een jaar na de fundamentele verandering in zijn denken naar aanleiding van de studie van fossielen in 1799-1800, in zijn Discours van 1800 de eerste algemene evolutietheorie formuleerde, d.w.z. een theorie met voor het eerst een verklaring van het evolutionaire proces. (80) Hij verzoende een soort ontwikkelingstheorie van zijn vriend Buffon, volgens welke bepaalde soorten op een bepaalde manier gevangen zijn in hun omgeving, (81) het idee van de ketting van de zijnden van Bonnet, en een specifieke theorie over de mechanismen van evolutie. Deze theorie is wel het "Lamarckisme" genoemd. Hij construeerde voor de eerste keer een afstammingstafel van de verschillende dieren. In zijn hoofdwerk, de Philosophie zoologique van 1809, (82) verklaarde hij de evolutionaire veranderingen (en ook het uitsterven) (83) van dieren d.m.v. twee oorzaken: "een geschiktheid om een steeds grotere complexiteit (volmaaktheid) te verwerven" en een "vermogen om op speciale condities van de omgeving te reageren". (84) De eerste oorzaak is intrinsiek aan alle dieren en is afgeleid van "krachten die er door de opperste maker van alle dingen in zijn gelegd." (85) Evolutie vindt volgens twee wetten plaats:
Deze ideeën betekenden een doorbraak, maar hadden geen volledige uitwerking tot vijftig jaar later, in Charles Darwin, (87) die Lamarck uitgebreid bestudeerde tijdens zijn reis met de Beagle.
In de tussentijd veranderde de reeds genoemde Charles Lyell de nadruk van Lamarcks vage speculaties over voortgang, groeiende volmaaktheid, en andere aspecten van een verticale evolutie, naar de concrete fenomenen van soorten. Ofschoon hij sterk tegen evolutie was, en alleen een verklaring wilde geven voor het uitsterven en ontstaan van soorten tijdens de grote cycli en catastrofen van de wereld, leidde zijn vraag: wat zijn de oorzaken voor het uitsterven van soorten? tot allerlei soorten ecologische problemen. Dezelfde vraag, en die van hoe nieuwe soorten de oudere aflossen, kreeg Darwin voorgeschoteld toen hij Lyell's Principles of Geology (88) las tijdens zijn reis met de Beagle. Als gevolg van Lyell's geschriften kwamen deze vragen in het centrum van Darwins research programma te staan. (89) Ofschoon Lyell's theorie van "uniformitarianisme", d.w.z. het principe dat dezelfde oorzaken die in de geschiedenis werkzaam waren ook nu werkzaam zijn, niet rechtstreeks bijdroeg tot de gedachte aan evolutie, hielp het de gedachten los te maken van een goddelijk ingrijpen bij de ontstaansgeschiedenis van de soorten. Het sterkte het naturalisme: alles gebeurt door secundaire, of beter, binnenwereldse oorzaken. (90)
Wat later, in 1844, veroorzaakte Robert Chambers (d. 1871) anoniem een grote beroering in het Victoriaanse England met zijn Vestiges of the Natural History of Creation. Daarin verwoordde hij de vraag naar louter natuurlijke oorzaken in de processen van veranderende soorten
Ik ben uitermate ongenegen voor te stellen dat er iets in de natuur is dat we niet zouden mogen onderzoeken… en voel me zelfverzekerd dat ons beeld van de goddelijke oorsprong van de natuur nooit kan worden beschadigd door verdere inzichten in zijn werken en wegen. (91)
Ofschoon de oorzaken die hij voorstelde (waarvan de voornaamste was het "Principle of Progressive Development") niet aan de hoogste wetenschappelijke standaards beantwoordden, en zijn werk vol van vergissingen was, heeft hij toch een enorme impact gehad op de acceptatie van het idee van een geleidelijke evolutie van soorten. (92)
Dezelfde distantiatie van een goddelijke ingrijpen vinden we in de geschriften van Auguste Comte (1798-1857), die in zijn Cours de Philosophie Positiviste (1830-1842) de drie stadia van wetenschappelijk onderzoek voorstelde: de mythische of religieuze fase, de metafysische fase en de positieve, of wetenschappelijke fase. Alleen de laatste, positivistische fase is werkelijk wetenschappelijk. Ze kent de werkelijke en overal en altijd geldende wetten van natuur, mens en maatschappij. Darwin was zeer onder de indruk van het werk, en aanvaardde haar indeling. (93)
De hoofdopponent van Darwin hierin was William Paley, die een behoorlijke invloed uitoefende in het Victoriaanse England met zijn Natural Theology, waarin hij poogde Gods interventies in de natuur te onderbouwen. (94)
Wat we na al deze voorlopers in gedachten moeten houden, is dat het "breken van de ketting van zijnden" nog geen evolutie is. Verder moeten we attent zijn op het verschil tussen de feitelijke ontwikkeling van de soorten, en de mechanismen waarmee deze ontwikkeling verklaard werd. Velen voor en na Darwin hebben de graduele ontwikkeling van soorten bevestigd. Maar de mechanismen die er de oorzaak van zijn, zijn op een verscheiden wijze gepostuleerd. Lamarck en Darwin zijn er twee voorbeelden van, , (95) maar ook de huidige non-teleologische verklaring.
Charles Darwin (1809-1882) is gevierd als de man die voor het eerst de oorzaken van het evolutionair proces heeft ontdekt. Zijn Origin of Species (1859) is de uitwerking van de vondsten gedaan tijdens zijn reis met het schip The Beagle, waarop hij als naturalist de Stille Oceaan en meer in het bijzonder de Galapagos eilanden bezocht. Nadat hij in 1836 het schip verlaten had, was het echter pas de ornitholoog John Gould, werkend met de verzameling vogels van de reis, die hem in 1837 bekend maakte met het feit dat de verschillen tussen de vogels overeenkwamen met de verschillende eilanden. Van toen af realiseerde Darwin zich dat geologische isolatie en natuurlijke selectie de factoren zijn die een rol spelen in de verandering van soorten.
Ofschoon Darwin zijn manuscript met de wezenlijke ideeën reeds in 1844 klaar had, (97) durfde hij het niet te publiceren, omdat hij het klimaat niet gunstig achtte voor de idee van evolutie. Hij continueerde zijn studies aan andere planten en dieren. In de tussentijd schreef A.R. Wallace (1823-1913) evenwel zijn beroemde tekst "On the Law Which Has Regulated the Introduction of New Species" (1855). Ook hij had het geografisch evolutionisme ontdekt. Lyell was zeer onder de indruk van het werk, en na Darwin geconsulteerd te hebben, drong hij aan op het publiceren van zijn werk.
In 1859 publiceerde Darwin zijn The Origin of Species. Zijn werk is verdeeld over verschillende hoofdstukken, die over van elkaar onafhankelijke theorieën handelen. Zijn twee nieuwe basis-concepten zijn gemeenschappelijke afstamming en natuurlijke selectie, waarbij de laatste variaties tussen de individuen van dezelfde afkomst veronderstelt. (98)
Het feit van de gemeenschappelijke afstamming, in plaats van een lineaire serie van de scala naturae, kan volgens Darwin veel feiten verklaren: de hiërarchie van Linnaeus' classificatie, patronen van distributie, feiten bekend vanuit de comparatieve anatomie en morfologie, celtheorie, etc. (99)
Levende organismen brengen afstammelingen voort die van hen verschillen. Hoe komen deze mutaties tot stand? Darwin stelde dat hij "sterk genegen was om te verwachten dat de vaakst voorkomende oorzaak van de variabiliteit toegeschreven kan worden aan de mannelijke en vrouwelijke voortplantingselementen, die voor de act van conceptie zijn beïnvloed." (100) Darwin hield de theorie van "pangenesis", (101) d.w.z. de theorie dat kleine deeltjes, "gemmulen" of "pangenen" worden afgegeven door elk deel van het lichaam, en door het lichaam circuleren, waarbij ze door de voortplantings- of kiemcellen worden opgenomen, zodat het volgende organisme de karakteristieken zal verkrijgen die het vorige organisme tijdens zijn leven heeft verworven.
Het idee van mutatie is onafhankelijk ook ontdekt door A.R. Wallace in 1858: "Er is een algemeen principe in de natuur dat ervoor zorgt dat vele variëteiten het oudergenus overleven, en veel successievelijke variaties veroorzaken." (102)
Mayr vat de theorie van de natuurlijke selectie als volgt samen:
"Feit 1: Alle soorten hebben een zodanig grote potentiële vruchtbaarheid, dat hun populatie exponentieel zou aangroeien als alle individuen die geboren worden succesvol zouden reproduceren (cf. Malthus);
Feit 2: Behalve kleine jaarlijkse fluctuaties en toevallige grotere fluctuaties, vertonen populaties normaal stabiliteit.
Feit 3: Natuurlijke voorraden zijn beperkt. In een stabiele omgeving blijven ze relatief constant.
Redenatie 1: Omdat meer individuen worden voortgebracht dan door de beschikbare voorraden kunnen worden onderhouden, terwijl de populatiegrootte constant blijft, betekent dit dat er een felle strijd om het bestaan gevoerd moet worden tussen de individuen van deze, wat resulteert in het overleven van slechts een - vaak zeer klein - deel van de afstammelingen van een geslacht.
Deze feiten, afgeleid van de populatie-ecologie, leiden tot belangrijke conclusies, wanneer ze worden gecombineerd met bepaalde genetische feiten.
Redenering 2: Het overleven in de strijd om het bestaan is niet het gevolg van toeval, maar hangt ten dele af van de erfelijke constitutie van de overlevende individuen. Deze ongelijke overlevingskans constitueert het proces van natuurlijke selectie.
Redenering 3: In de loop van de generaties zal dit proces van natuurlijke selectie leiden tot een continue verandering van populatie, d.w.z. tot evoluties en tot de produktie van nieuwe soorten." (103)
Ofschoon de Origin of Species verscheen in 1859, was het niet tot aan 1871 dat de Darwin de consequenties voor de mens uitwerkte in zijn The Descent of Man, and Selection in relation to Sex, 2 Vol. (1871). Dit echter niet eerder dan na de conclusies die zowel Thomas Huxley (grootvader van schrijver Aldous Huxley) in zijn Man's place in nature (1863), Charles Lyell, in zijn Antiquity of Man (1863), King, die de homo neanderthalensis als een soort van homo aanduidde, en Ernst Haeckel in zijn Generelle Morphologie (1866) reeds eerder hadden getrokken uit zijn theorie. (104) In zijn Descent probeert Darwin evidenties te presenteren voor de afstamming van de mens van een lagere levensvorm, door te verwijzen naar homologe and rudimentaire embryonale lichaamsstructuren (105) en instincten in de mens, die niet meer dan een gradueel verschil vertonen met geesteskrachten. (106) Hij merkt op dat dieren ook emulatie, schaamte, grootmoedigheid, verbazing and nieuwsgierigheid, imitatie, aandacht, herinneringen, voorstellingsvermogen, en een zekere kracht tot overleg en rede hebben. (107) Ze kennen het gebruik van gereedschap, (108) en taal. (109) Aan de andere kant, was het niet dan tot laat in de evolutie dat de mens zelfbewustzijn kreeg en algemene ideeën, een zin voor het schone, en geloof in God. (110) De zin voor het morele, "the moral sense", waaraan hij een heel hoofdstuk wijdt, omdat dit menselijk vermogen volgens hem het belangrijkste verschil met dieren is, is echter niet meer dan een sociaal instinct: de wet van de gemeenschap bepaalt individuele oordelen en acties. (111)
In het volgende hoofdstuk, IV, beschrijft hij verschillende karakteristieken van mensen: rechtop gaan, een grotere schedel bezitten, een naakte huid hebben, geen staart bezitten, maar ook sommige bijzondere trekken van bepaalde typen mens in bepaalde gebieden en onder bepaalde omstandigheden.
Ofschoon in de laatste decennia van de negentiende eeuw veel alternatieve theorieën verschenen, die niet algeheel absurd waren binnen de gegeven kennis van de biologie in die tijd, (112) verbreedde de aanhang van het Darwinisme zich meer en meer. Toch ontbraken stevige kritieken niet, zoals die van K.E. v. Bear (1792-1876). (113) De impact van Darwins theorie was enorm, en wordt wel beschreven als de grootste wetenschappelijke revolutie. (114) Ze ontwikkelde zich in vele richtingen. (115) Velen maakten evolutie tot het centrum van hun wereldbeeld: Ernst Haeckel populariseerde het tot een monistisch materialisme. Herbert Spencer (1820-1903), in zijn A System of Synthetic Philosophy, 10 vol. (vanaf 1860), probeerde een universeel evolutionair wereldbeeld te bieden. Henri Bergson (1859-1923), met zijn L'évolution créatrice (1917) viel binnen het evolutionistisch denken echter haar materialistische en mechanistische interpretatie aan. En Teilhard de Chardin (1881-1955), met o.a. zijn Le phénomène humain (1955) probeerde de resultaten van de paleontologie en de andere wetenschappen te integreren in de christelijke visie op de mens. (116)
Wanneer we ons voorlopig beperken tot de biologische theorieën, moeten we echter zeggen dat de wetenschappelijke onderbouwing van de theorie niet zonder meer honderd procent was. Lyell, b.v., ofschoon hij de verandering van soorten accepteerde, kon zonder de feiten te verloochenen, ontkennen dat natuurlijke selectie dé verklaring voor nieuwe soorten zou kunnen zijn. Hij "vergeleek de situatie met de drie attributen van de hindoestaanse godheid: Brahma, de schepper, Vishnu, de bewaarder en Sjiva de vernietiger. 'Natuurlijke selectie zal een combinatie van de laatste twee zijn,' merkte hij op, 'maar zonder de eerste, oftewel de scheppende kracht, kunnen we niet inzien hoe de anderen een functie kunnen hebben.'" (117) George Mivart (1827-1900) vatte veel objecties tegen natuurlijke selectie als een verklarende theorie samen in zijn The Genesis of Species (1871), waarin hij pleitte voor een interne sturende kracht, die de variatie in een bepaalde richting duwt. (118) En Louis Agassiz hield tot aan zijn dood dat "de geschiedenis van het leven het vooropgezette plan van het leven volgt, waarin de soorten van een bepaalde periode speciaal zijn geschapen om te passen bij hun bepaalde habitat." (119)
T.S. Huxley, aan de andere kant, met zijn fameuze experimenten van 1919, waarin hij amfibische axolotls voedde met thyroid extracten, wat resulteerde in het verliezen van hun kieuwen en andere trekken van hun kikkervisjes-staat, versterkte de positie van de Darwinistische evolutionisten. (120)
Maar in de tussentijd zou de genetica enige visies van Lamarck en Darwin m.b.t. de overdracht van aangeleerde karakteristieken corrigeren. Zoals we zagen, hield Darwin de theorie van "pangenesis". Deze theorie werd aangevallen door F. Galton (1822-1911), die experimenten met bloedtransfusie uitvoerde, en concludeerde dat alleen voorouderlijke eigenschappen werden overgeërfd. Daarenboven ontdekte A. Weismann (1834-1914) het "chromatin" als de erfelijkheidsdragende substantie, en stelde dat ei en sperma beide de helft van het aantal chromosomen bijdraagt aan het nieuwe organisme (The Germ Plasm, 1892). Hij concludeerde uit experimenten (door onder ander de staarten van veel generaties muizen af te snijden), dat verkregen eigenschappen in somatische cellen de nakomelingen die via de kiemcellen ontstaan niet (The Evolution Theory, 1904). (121)
Een Nederlandse Botanist, H. de Vries (1848-1935) ontdekte in 1899 de wetten van de overdracht van de erfelijke eigenschappen, maar tijdens het kijken door de literatuur vond hij dat deze ontdekking reeds in 1866 gedaan was door een Oostenrijkse monnik, Gregor Mendel (1822-84). In het licht van de ontdekkingen van Weismann konden de Vries en Bateson concluderen tot erfelijke eenheden in het kiemplasma. Ze verwierpen Darwins, Wallace's en Weismanns theorie van geleidelijke adaptatie en creatieve natuurlijke selectie. Inplaats hiervan stelde de Vries in zijn The mutation theory (1901-3) zijn theorie van plotselinge grote sprongen.
Maar de visies van Darwin en de Vries konden worden verzoend tot een synthese door verschil te maken tussen "genotype" (het totaal aantal genen) en "fenotype" (de lichamelijke eigenschappen van een organisme), door
E. Mayr accepteerde deze synthese in 1942 met zijn Systematics and the Origin of Species. De kracht van selectie is overduidelijk gebleken: John Endler, in zijn in 1986 verschenen boek Natural Selection in the Wild, kon meer dan honderd soorten opnoemen waarin natuurlijke selectie in veldstudies kon worden aangetoond.
De ontdekking van de dubbele helix-structuur van het D.N.A. door Watson en Crick in 1953 (123) leidde tot een onovertroffen stuk gereedschap voor onderzoek naar genetische stambomen. Omdat het vanaf toen mogelijk was om de precieze onderlinge afhankelijkheid van populaties te achterhalen, kon men zo exact de loop van de evolutionaire ontwikkeling determineren.
De ontwikkeling van de moleculaire biologie bevorderde de inzichten in de levensprocessen, (124) maar tot nu toe is er nog geen echte verklaring voor de oorsprong van het leven gegeven. Algemeen worden echter contingente factoren en omstandigheden geaccepteerd als het enige stuurmechanisme van de evolutie. Een modern tekstboek over evolutie stelt dit als volgt:
We kunnen concluderen dat het beeld van een contingente evolutie, van opportunistische vooruitgang door de tijd, is bevestigd door de resultaten van de wetenschap sinds Darwin. Dit contingente aspect van de evolutie is niet een of ander arbitrair concept, dat ons is ondergeschoven door een speculatieve theorie, maar wordt ons opgedrongen door de naakte feiten van de natuurlijke historie. Dit soort model heeft zin, als natuurlijke selectie belangrijk is in evolutie. Want dan is de richting van de evolutie afhankelijk van de beschikbare variatie op een gegeven plaats en tijd. Hieruit volgt, dat de evolutie een uniek historisch proces lijkt te zijn. Voor zover wij het kunnen overzien, zou ze een andere route hebben kunnen nemen dan degene die ze nu genomen heeft. (125)
Ofschoon de evolutietheorie dus steeds genuanceerder wordt, o.a. door de ontdekking van de mogelijkheden van het samensmelten van twee soorten, (126) blijft het hoofdparadigma van de biologie. (127)
Ook binnen allerlei andere disciplines dan de biologie, zoals de epistemologie, psychologie, ethiek, sociologie (128) en zelfs theologie (129) heeft het biologisch-evolutionaire denken een vaste voet aan de grond gekregen. (130)
Een van de grote problemen bij de evolutionaire achtergrond van de mens, is de definitie zelf van de mens. De klassieke definitie is animal rationale, maar wanneer ben je redelijk? (131)
Tegenwoordig (132) bestaat er een brede consensus onder wetenschappers over de volgende feiten. Er is een superfamilie van hominoïden, beginnend zo'n 22 miljoen jaar geleden, met als eerst bekende soort de Proconsul africanus, waarvan alle primaten, d.w.z. apen en mensen afstammen. Helaas zijn er geen fossielen van tussensoorten van 4 tot 14 miljoen jaar geleden. (133) Op basis van moleculaire evidenties meent men echter dat de gorilla's zich zo'n 9.5 miljoen jaar geleden afsplitsten van een gemeenschappelijke tak van primaten. Chimpansees en hominiden scheidden zich zo'n 7.5 miljoen jaar geleden van elkaar. Dit betekent dat de chimpansees meer verwant zijn aan de mens dan gorilla's, ofschoon deze twee apenvormen beide "nuckle walkers" zijn. (134) In die tijd, 7.5 miljoen jaar geleden, begon een bepaalde tweevoetige apensoort aan haar speciale aanpassingen, wat zou uitmonden in de Australopithecus Afarensis. Er is paleontologische evidentie beschikbaar over deze hominiden van zo'n vier miljoen jaar geleden. Een fameuze mens van die tijd is "Lucy". (135) Deze hominiden liepen reeds volledig op twee voeten. Er zijn voetsporen gevonden van deze soort, die 3,6-7 miljoen jaar geleden in vulkanische as gelopen hebben. Hun gewicht was 25-50 kilogram, met de mannen twee keer zo zwaar als de vrouwen. Hun herseninhoud was echter nog slechts ongeveer 400-550 cc., 20% -30% groter dan de huidig bekende chimpansees. (136) Hun kaken zijn kleiner dan die van chimpansees, waarschijnlijk omdat ze zich niet meer met de tanden hoefden te verdedigen. (137)
Rond twee en drie miljoen jaar geleden bestonden er tenminste drie afzonderlijk aparte takken: de Australopithecus Robustus and Bosei, Australopithecus Africanus, en 2-1,75 miljoen jaar geleden vinden we de Homo habilis (de handige mens). De hersens van de homo habilis hadden een inhoud van zo ongeveer 700 cc., het gezicht was gekort, en de tanden gereduceerd in maat. (138)
Homo ergaster, met de subsoort homo erectus, stamde 1,6-7 miljoen jaar geleden van de Homo Habilis af, en verspreidde zich vanuit Afrika ongeveer een miljoen jaar geleden. Tegen die tijd verdubbelde de inhoud van de schedel zich tot ongeveer 800 cc., en er ontwikkelde zich een modern uitziend skelet. (139) Wat er gebeurde tussen toen en ongeveer 300.000 jaar geleden, is nog steeds omstreden, maar rond deze tijd verscheen de homo sapiens die in de volgende 100.000-200.000 jaar een herseninhoud ontwikkelde tot ongeveer 1400 cc., de huidige grootte. (140)
Zeer interessant is het feit dat er twee aanwijzingen zijn dat de gemeenschappelijke voorouder van alle nu levende mensen een Afrikaans vrouw is die zo'n 200.000 jaar geleden leefde. Een van de aanwijzingen komt van vergelijkend onderzoek (141) van het mitochondrisch D.N.A., (142) van mensen van zeer verschillende volkeren. Een tweede aanwijzing komt van taalanalyse van de talen-stamboom. (143) Volgens de aanhangers van deze theorie zijn alle andere hominiden sinds de opkomst van deze homo sapiens uitgeroeid.
Deze visie wordt aangevallen door wetenschappers die zich baseren op de gegevens van fossielen. Zij geloven dat onze gemeenschappelijke oorsprong zo'n 2 miljoen jaar geleden homo erectus was, die zich vanaf toen in verschillende richtingen heeft ontwikkeld door een consistente genen uitwisseling. Deze wetenschappers kunnen niet geloven dat homo sapiens alle andere lijnen op zo'n globale schaal heeft uitgeroeid. (144) Toch schijnt er een verzoening tussen de twee opinies mogelijk te zijn, in die zin dat er vanuit Afrika meerder golven mensen zijn gekomen, waarbij de laatste onze eigen soort is geweest. (145)
Vanaf ongeveer 150.000 vinden we de pre-Neanderthalers, en van 70.000-30.000 jaar geleden de Neanderthalers, die leefden in Azië en Europa. Ongeveer 30.000 jaar geleden verscheen de zgn. Cro-Magnon mens ten tonele. Tot recentelijk heeft men gedacht dat deze soorten zijn uitgestorven door invasies van de homo sapiens, maar deze theorie is omvergeworpen door recente archeologische ontdekkingen in bepaalde gebieden, zoals Israël, waar homo sapiens leefde vóór de Neanderthalers. (146)
Andere aanwijzingen voor menselijk gedrag vinden we reeds 2,4 miljoen jaar geleden, met gereedschappen. 500.000 Jaar geleden gebruikte men al vuur. 10.000 Jaar geleden worden de eerste tekenen van landbouw aangetroffen, terwijl reeds 35.000 jaar geleden mensen elkaar begroeven met rituelen. (147)
Een wat alternatieve, maar wel interessante theorie is die volgens welke de mens door het stadium van zeewezen is heengegaan. Argumenten daarvoor zijn b.v. de quasi "haarloosheid", de richting van de lichaamsbeharing, het onderhuidse vet en de hoeveelheid zout in de tranen en zweet. (148)
Hoewel we in het algemeen kunnen stellen dat de soorten zich ontwikkelen, en wellicht zelfs uit elkaar voortkomen, blijven er vele problemen m.b.t. de mechanismen die de oorzaak zijn van deze veranderingen.
Darwin verdedigde de geleidelijke evolutie van soorten, maar fossielen lijken deze visie vaak helemaal niet te kunnen staven. (149) Darwin zelf besteedde 28 pagina's van zijn Origin of Species aan dit probleem, en hoopte dat er in de toekomst meer vondsten gedaan zouden worden die zijn theorie zouden bevestigen. (150) Maar zelfs met een honderdvoudige toename van vondsten, is de problematiek nog even groot als in Darwins tijd. (151) Wanneer geleidelijke evolutie een feit zou zijn, dan zou er een heel scala van elkaar nauwelijks soortelijk verschillende individuen moeten zijn. Dit is echter niet het geval. Integendeel. We vinden zeer duidelijk van elkaar onderscheiden soorten, die zeer vaak miljoenen jaren constant blijven. (152)
Dit betekent niet dat er geen volgorde in de oorsprong van de soorten zou bestaan, maar dat de mechanismen waardoor deze aflossingen gebeuren zeker anders zijn dat de graduele ontwikkeling die Darwin voorstelde. Er is niet slechts een "missing link" tussen de aap en de mens, maar ook tussen vele andere soorten! (153)
Een meer fundamentele vraag (154) die aan dit probleem ten grondslag ligt, is dat van het wezen van een soort of soortelijke natuur. In de huidige empiristische wetenschap wordt allereerst het "essentialisme" zelf in vraag gesteld. (155) Er zijn verschillende opinies m.b.t. dat wat een species, een soort, constitueert:
Het meest gebruikte concept is het biologische, ofschoon er naar een soort van "evolutionair", "synthetisch", of "kwantitatief" soortbegrip wordt gestreefd, waarin fylogenetische, fenetische en ecologische aspecten zijn samengevat. (157) Een andere interessante these is het beschouwen van de soorten zelf als individuen. (158)
Het niet-bestaan van vaste soorten lijkt een conditio sine qua non voor de evolutietheorie. Als er geen soorten zijn, houdt niets een gradueel veranderen van de karakteristieken tegen. O.a. Lamarck hield deze visie, (159) en ook Darwin, ofschoon de titel van zijn boek anders doet vermoeden. Darwin probeerde het verschil tussen de soorten zoveel mogelijk te relativeren, m.n. in hoofdstuk 9 over hybridisering van soorten in de Origin. Daar probeerde hij een alternatieve uitleg te vinden voor het feit dat nakomelingen van verschillende "soorten" onvruchtbaar zijn. Maar, zoals Gilson opmerkt:
Hier begint men te voelen dat de wetenschapper in feite een vooropgezette zaak verdedigt. Zijn geest onderhoudt een gunstig vooroordeel over de vruchtbaarheid van hybriden, niettegenstaande de algemene werkelijkheid die eraan tegengesteld is. Alles wat kan bijdragen aan het reduceren van de stabiliteit van soorten is koren op Darwins molen. Men begint zich steeds meer af te vragen, terwijl men zijn bewijs verder volgt, waarom hij er telkens over doorgaat. (160)
Moderne biologen erkennen dat de werkelijkheid verschillende soorten bevat. E. Mayr schrijft b.v.: "Degene die, zoals Darwin, ontkent dat soorten niet-willekeurig gedefinieerde eenheden van de natuur zijn, gaat niet alleen het probleem uit de weg, maar zal ook nooit sommige van de meest interessante problemen van de biologie vinden en oplossen." (161)
Het lijkt erop dat het "eeuwige" probleem van de relatie tussen individueel en algemeen begrip opnieuw de oorzaak van ook dit probleem is. De scholastieke oplossing, dat nl. de soorten, zoals de universalia, een abstractie zijn met een fundamentum in re, d.w.z. een indeling van zijnden met een basis in de werkelijkheid die uit individuen bestaat, lijkt opnieuw de oplossing te zijn. (162) Wanneer we het probleem van een Aristotelisch-Thomistisch standpunt bekijken, moeten we een onderscheid maken tussen accidentele en substantiële veranderingen. Geleidelijke veranderingen van de eerste soort kunnen plaatsvinden in de categorieën kwantiteit, kwaliteit en relatie. Het is echter zeker niet zo dat substantieel van elkaar verschillende soorten slechts gradueel zouden kunnen verschillen. (163) De opvatting dat dit laatste wel mogelijk is, leidt onder meer tot de mening dat apen en mensen eigenlijk niet wezenlijk verschillen, zoals b.v. Peter Singer houdt. (164) Hogere soorten zijn ook niet slechts een optelsom van eigenschappen van lagere soorten. Het geheel is meer dan de delen. (165) Anderzijds moeten we het soortbegrip ook weer niet te eng toepassen: dit kan zelfs racisme in de hand werken… (166)
Reeds aan het einde van de vorige eeuw, hebben John Ray, (167) en later Bateson (168) en Galton (169) de theorie van het saltationisme verdedigd, d.w.z. het feit dat "de discontinuïteit van soorten voortkomt uit de discontinuïteit van de variatie". (170) Volgens hen zijn bepaalde soorten "treden", i.e. plotselinge belangrijke veranderingen van karakteristieken in een bepaalde soort, verantwoordelijk voor de overgang van de ene soort in de andere. Een van hun argumenten was de ontdekking door Galton, dat afstammelingen van ouders die van het "gemiddelde" of van de "niche"(nis) van de soort afweken, terugkeren naar het centrum van de nis. (171) Het is alsof de natuur a priori slechts bepaalde vormen of soorten toelaat. Nieuwe soorten kunnen zich in deze visie dan ook alleen ontwikkelen door grote sprongen. (172)
Onder de indruk van de fossielen, die teveel "missing links" vertoonden, hebben Schindewolf (173) en Goldschmidt (174) reeds in de dertiger en veertiger jaren van deze eeuw gesteld dat een graduele evolutie niet mogelijk is. Soorten blijven voor miljoenen jaren constant, om dan plotseling te verdwijnen en/of aanleiding geven tot duidelijk gelijkende, maar in werkelijkheid specifiek verschillende soorten. Daarbij veroorzaken kleine mutaties nog geen verschillende soorten: ze behoren altijd tot scherp onderscheiden soorten. Alleen grote mutaties leiden tot nieuwe soorten. Zo kon Goldschmidt de theorie van de "hoopvolle monsters" voorstellen. Hedwig Conrad-Martius spreekt in deze context van "aus der Art schlagen". (175)
Ook meerdere vooraanstaande moderne biologen, zoals Gould, (176) Eldredge (177) en Stanly, (178) die van "punctuated equilibria", spreken, kijken positief naar de theorie van plotselinge grote veranderingen. (179) Deze visie wordt versterkt door vondsten in de zgn. Burgess scale, waar zich in een zeer korte tijd een explosie van nieuwe levensvormen heeft voorgedaan. (180) Het blijft een mysterie hoe in de betreffende tijd, het pre-cambrium, zo'n 700 tot 800 miljoen jaar geleden, een explosief ontstaan van ongewervelde dieren heeft kunnen plaatsvinden. In de fossiele lagen die ouder zijn is er niets van deze vele soorten te vinden. Bijna alle fossielen van die tijd zijn micro-organismen. Ofschoon er enige feiten worden aangedragen die deze uitbarsting van leven, deze verandering van samenstelling van de oceanen, de meer frequente diploïde and genetische recombinaties, de veranderingen in de ecosystemen, etc. willen verklaren, is een werkelijke oplossing nog niet gegeven. (181) Een andere moeilijkheid is dat er in het midden van de soorten zich een soort 'attractor', aantrekker, lijkt te bevinden, waarnaar de soort terugkeert wanneer ze wordt overgelaten aan vrije mutatie en selectie. "Fruitvliegen muteren tot monstruositeiten, maar ze zijn nog steeds Drosophila ... Het maken van een nieuwe soort lijkt het losbreken van een attractor nodig te hebben." (182) En zelfs met geforceerde mutaties, zoals in het geval van fokken, verlaten we de originele soorten niet. Honden blijven honden, paarden paarden en tulpen tulpen. Tussenvormen zijn niet vruchtbaar.
Een ander argument tegen een geleidelijke verandering is het feit dat deze tussenvormen helemaal niet tot individuen leiden die beter, of zelfs maar levensvatbaar zijn. Een oog dat al goed gevormd is, maar nog niet ziet, dient tot geen enkel doel.
Dit betekent niet dat er geen bewijzen zijn voor geleidelijke veranderingen in kwaliteiten en kwantiteiten binnen soorten, (183) b.v. in het geval van de vinken van de Galapagos eilanden (184) en bij mimicry. (185)
Modern onderzoek heeft ontdekt dat geleidelijke veranderingen, op kritische punten, plotseling tot discontinue veranderingen in systeemgedrag kunnen leiden. (186) Zo kan geleidelijke ontwikkeling niet totaal uitgesloten worden als een mogelijke oorzaak van de oorsprong van de soorten. (187) Maar tenminste de theorie van natuurlijke selectie door de mechanismen van graduele mutatie en het overleven van de meest geschikte is wel degelijk onder vuur komen te liggen als het hoofd verklaringsparadigma van de oorsprong van de soorten. Vgl. een laatste voorbeeld, met een interessante conclusie:
Walvissen zijn meer dan andere zoogdieren afgeweken van het basispatroon van de zoogdierklasse. Hoe lang zij (of ook zeehonden, dugongs, ichthyosaurussen, vogels en vleermuizen) nodig hadden om zich te ontwikkelen vanuit viervoetige voorouders is niet bekend, maar hun buitengewone specialisatie (zoals die van vleermuizen) moet in zo'n tien miljoen jaar compleet zijn geweest. Het zou minder hebben kunnen zijn, omdat walvissen er al langer zouden kunnen zijn dan hun vroegst bekende botten lijken aan te tonen … Tijdens deze periode hebben walvissen, behalve het converteren van hun voorpoten tot zwemvliezen en het aangroeien van een lange en krachtige staart, hun neus naar de bovenkant van het hoofd moeten verplaatsen, het ademhalingssysteem moeten modificeren, en aanpassingen moeten maken voor het voeden in de diepte. ... Ze hebben op een opmerkelijke wijze nieuwe organen ontwikkeld, zijvinnen en walvisstaart, van huid en bindweefsel … Daarenboven, voordat ze de achterpoten konden verliezen waarmee ze op het strand kropen, moesten ze in staat zijn om in het water te baren, een proces dat zowel voor moeder als kalf nieuwe instincten veronderstelt, zoals het pompen van melk in de bek van het kalf, waarbij de tepel met een kapje beveiligd moet zijn tegen het zoute zeewater. Het is moeilijk in te zien, hoe dit alles tot stand heeft kunnen komen, tenzij door een opmerkelijke serie van hooglijk gecoördineerde veranderingen. (188)
Het lijkt dat bij het formeren van nieuwe levensvormen een tussenkomst van een Schepper onontbeerlijk is.
Is de wonderbaarlijke diversiteit aan leven te verklaren met niet meer dan een proces van toevallige mutaties die zorgen voor een steeds betere mogelijkheid tot adaptaties aan de omgeving, welke mogelijkheden worden uitgeselecteerd door natuurlijke selectie? Laten we de verschillende onderdelen van deze theorie eens onder de loep nemen, te beginnen met de facetten die de geringste verklaringsmogelijkheden bieden, om zo te zien of de werkelijkheid die we waarnemen met behulp van deze verklaringsprincipes kan worden begrepen.
Het is duidelijk dat er in de natuur een soort natuurlijke selectie plaatsvindt. Zwakkere individuen van een soort, of binnen een bepaalde omgeving, zullen eerder sterven dan anderen, en minder kans hebben om zich voort te planten. Maar natuurlijke selectie alléén kan de prachtige en de enorme verscheidenheid aan zeer functionele nieuwe vormen natuurlijk niet verklaren. Het selectieproces zelf is namelijk niet creatief. (189) Het kan slechts varianten verwijderen.
Het is daarom nodig om de principes te vinden of te bedenken die deze positieve ontwikkeling sturen. Een van deze middelen is het proces van adaptatie. De natuur selecteert, zo zegt men, uiteindelijk alleen die vormen die zijn aangepast aan de omgeving. Maar wat betekent het aangepast te zijn aan de omgeving? En hoe komt deze aanpassing tot stand?
Lamarck, Darwin en de moderne evolutionisten gingen en gaan er vanzelfsprekend van uit dat organismen zich aanpassen aan hun omgeving. Organismen veranderen zelfs door het voedsel dat ze eten. (190) Maar hoe en m.n. waarom doen ze dat? Wat beweegt hen tot aanpassing? Wat beweegt hen, tegen de stroom van vernietiging en uitvlakking in, hun identiteit te handhaven door zich aan te passen? Wat is het aanpassende principe van levende zijnden t.o.v. het louter passieve ondergaan van veranderingen onder druk van krachten van de omgeving in de niet-levende natuur? Waar komen de uitzonderlijk creatieve wijzen van aanpassing vandaan? Doelgerichte adaptatie zelf vraagt om een verklaring. (191)
Om het probleem moderner te verwoorden: de wet van de traagheid, die stelt dat een voorwerp in beweging of rust in die toestand zal volharden tenzij er een kracht op wordt uitgeoefend, lijkt door het leven zelf te worden weerlegd. Of nog anders gesteld: de tweede wet van de thermodynamica, die stelt dat de chaos van een systeem zal toenemen, (192) stelt dat de natuur de meest evenwichtige toestand zal innemen, oftewel de polariteiten zal afvlakken en depolariseren, uitvlakken, ja zelfs "degenereren" (193). Nu, levende wezens tenderen er juist naar om als polaire éénheid tegenover hun omgeving te "willen" blijven functioneren en zelfs deze polariteit te willen laten groeien en vermenigvuldigen in nakomelingen. Hoewel de toename van de entropie (chaos) inderdaad gewaarborgd blijft indien we ook de omgeving van het levende wezen bij de berekening van de entropie betrekken, blijft het een raadsel waarom het levende wezen zelf zich aan deze wet lijkt te onttrekken door zich zodanig aan te passen dat het grotere kans maakt om als eenheid bewaard te blijven.
Kortom: het enige echte "principe van aanpassing" bestaat in het zgn. "principe van plenitude", (194)xxx volgens hetwelk de natuur door mutaties alle mogelijke vormen van leven produceert, die dan worden "uitgeselecteerd" door de omgeving. Maar dit betekent dat de selectie door de omgeving de enige vorm van adaptatie is. Deze adaptatie komt dus niet voort uit het levende wezen zelf, waarmee ze nog niet verklaard is. Waarom zou de natuur zulke vormen selecteren? En, meer fundamenteel, hoe komen die vormen er überhaupt?
Er ontstaat trouwens nog een tweede probleem wanneer men zich afvraagt hoe deze verworven aanpassingen naar het nageslacht verder gegeven worden. Darwin zelf accepteerde het Lamarckiaanse principe van het overerven van verkregen eigenschappen, maar deze theorie is langzaam in onbruik geraakt door m.n. Francis Galton, die Darwins theorie van "pangenese" met bloedtransfusie experimenten testte (195) en August Weismann (1834-1914), die vond dat "de embryonale cellen die naderhand uitgroeien tot kiemcellen al vroeg in de ontwikkeling van het individu een aparte plaats krijgen. Deze kiemcellen dragen niet bij tot de groei van de rest van het lichaam, maar vormen een bepaald soort aparte lijn van celdelingen. Dit leek de mogelijkheid uit te sluiten dat kenmerken die door het lichaam verkregen zijn via kiemcellen aan volgende generaties doorgegeven kunnen worden." (196)
Sommige moderne researchers hebben een middenweg gezocht, door te stellen dat gedrag door imitatie overgeërfd kan worden. Zo gebruikt men in deze context ook wel de term "culturele evolutie". (197) Toch zijn er wel enige aanwijzingen dat ook biologisch verkregen kenmerken overgedragen kunnen worden aan volgende generaties. (198) Vooral in het immuunsysteem is er een notoire invloed: goede voorbeelden zijn de bacteriën die resistent worden tegen antibiotica. (199)
Deze adaptaties en hun voortleven alleen schijnen echter totaal onvoldoende om rekenschap te kunnen geven van de enorm grote variëteit aan soorten in slechts één ecologische habitat. Er moet een principe aan deze aanpassingen te grondslag liggen, en dat principe is volgens velen: mutaties.
Veel evolutionisten denken dat de verschillende soorten "adaptaties" slechts door toevallige mutaties van het genetisch materiaal ontstaan. (200) Men denkt daarbij de notie van een sturende kracht, doelgerichtheid, teleologie en zelfs vooruitgang geheel niet nodig te hebben, (201) ofschoon sommigen wellicht van teleonomie zouden willen spreken, d.w.z. het gestuurd worden door een programma. (202)
Allereerst kunnen we ons hierbij de vraag stellen of het begrip toeval zelf eenduidig is. (203)
Afgezien daarvan, wanneer we het begin van het heelal, het ontstaan van de aarde (204) en m.n. het geheel van de levende wezens met hun eigenschappen zien, is het zeer moeilijk te geloven (!) dat toevallige, d.w.z. niet anders dan stochastisch met elkaar samenhangende mutaties dit allemaal hebben veroorzaakt. De reeds ongelooflijke gecompliceerdheid van één cel van ons lichaam, laat staan de structuur van onze ogen en hersenen, om nog maar te zwijgen van ons bewustzijn, kan niet worden verklaard door slechts toevallige veranderingen in een relatief korte tijdsspanne, zelfs wanneer er een lange serie van toevallige kleine veranderingen in één richting plaatsvindt, of wanneer er nu maar een van de vele mogelijkheden zou zijn verwezenlijkt. (205) Deze gerede twijfel aan het "principe toeval" rijst in alle stadia van het leven.
Reeds op atomair en moleculair niveau zijn de eigenschappen van de materie en de energie die ons huidige heelal vormen ongelooflijk nauwkeurig op elkaar afgestemd. Veel constanten van de natuur hebben een zodanig precieze waarde, dat een miniem verschil reeds het heelal ongeschikt zou maken voor de huidige levensvormen, en waarschijnlijk voor alle vormen van leven, alleen al omdat de temperatuur te hoog of te laag zou zijn, of de tijd zou ontbreken fatsoenlijke levensvormen te ontwikkelen. (206) Dit zgn. "Anthropic Principle" (207) kan m.i. blijven staan als een - wellicht louter dialectisch - argument voor het bestaan van een Ontwerper, d.i. als een "argument of design". Vanaf de "Big Bang" moet er in dit geval nl. een sturende kracht aanwezig zijn geweest die de vorming van de elementaire deeltjes en hun eigenschappen heeft geleid, zodat ze de basis konden vormen van het leven zoals wij dit kennen. De asymetrie van het beginnende heelal zou reeds een teken van dit "ingrijpen" kunnen zijn.
Maar ook op een volgend niveau, het gebied van de simpele atomaire en moleculaire processen in levende wezens, het gebied van de organische chemie and biochemie, is de complexiteit van de fundamentele structuren die de basis van het leven vormen zo overweldigend complex, dat een verwijzing naar het zogenaamde "geluk" of "lot als enige verklaringspoging onhoudbaar lijkt. (208) Daarnaast moeten veel mechanismen in levende wezens er in hun totaliteit zijn, of ze functioneren niet. (209)
Er komen hier ook meer metafysische vragen op. Normaal gesproken nemen we aan dat "Nemo dat quod non habet", niemand geeft wat hij niet heeft, of: "Omne agens agat sibi simile": elke werker doet iets gelijkends ontstaan. Met andere woorden, iets kan niet overgaan van mogelijkheid (potentie) naar werkelijkheid (act), tenzij door iets dat reeds die werkelijkheid in zich heeft. Daarom lijkt het dat alle dingen hun zijn verkrijgen van iets dat dit zijn reeds heeft. Hogere wezens moeten in zekere al hebben "voorbestaan", tenminste in de "Geest van Iemand", voor ze konden verschijnen in de werkelijkheid.
Sommigen voelen wel aan dat toeval alléén erg weinig verklaart. Omwille van de grote verscheidenheid van goed aangepaste soorten vinden sommigen dan ook dat er zelforganiserende krachten aan het werk moeten zijn, oftewel zichzelf richtende adaptaties. (210)
Maar dit soort zelforganisatie vereist een natuur die zeer fijn is afgestemd op zelforganisatie. (211) Echter, ofschoon het bestaan van zulk een natuur een resultaat zou kunnen zijn van een toevallig proces uitlopend in een soort evenwicht van krachten, (212) lijkt de grote complexiteit en harmonie van het tegenwoordige universum te wijzen op een fundamenteel intern of extern principe dat de richting van dit oerproces heeft bepaald: teleologie. (213)
Ofschoon Darwin een doelgericht ontwerp in de schepping schijnt af te wijzen, is hij zijn hele leven toch terdege bezig geweest met "de extreme moeilijkheid of beter onmogelijkheid om dit immense en wonderbaarlijke universum … als een resultaat van een blind toeval of van noodzakelijkheid te zien." (214) In feite moet hij niet begrepen worden alsof hij een theorie aanhing die zich baseert op louter toevalsfactoren. (215) Volgens Wright zou men zelfs kunnen zeggen dat de theorie van Darwin noch finalistisch, noch totaal accidenteel, maar iets op een verschillend niveau is. (216) Op een analoge wijze verklaart Gilson dat er in Darwin een "teleologie zonder doeloorzaken", (217) d.w.z. een teleologie zonder vooraf gegeven doelen en interventies (door een Schepper). (218) Ook zijn zoon, Francis, en T. Huxley interpreteerden Darwin op deze wijze, waarbij de laatste het concept van een "bredere teleologie" gebruikte. (219) Anderen denken dat Darwin een theorie hield van een "niet noodzakelijke, maar algemene" progressieve evolutie, met als "gids voor vooruitgang … de externe omgeving", en dat een totaal niet-teleologische interpretatie slechts een "hinein-interpretieren" door moderne biologen is. (220)
Inderdaad, Darwin stond sympathiek tegenover professor Asa Gray, die zijn theorie in finalistische termen uitlegde. (221) Hij hield van (222) wat Asa Gray 1874 schreef: "We erkennen de grote dienst die Darwin aan de natuurwetenschap heeft bewezen, nl. door er de teleologie van te herstellen, zo dat in plaats van een strijd tussen morfologie en teleologie er voortaan een huwelijk tussen die twee bestaat." (223)
Darwin zelfs schijnt dus ambigue te zijn geweest.
Wat kunnen we over de aanwezigheid van teleologie in de natuur zeggen?
Allereerst een paar opmerkingen m.b.t. de terminologie. Ofschoon men b.v. kan ontkennen dat er in de evolutie sprake is van een ontwikkeling naar een volmaaktere natuur, gebruikt men toch vaak de termen "geschikter" (vgl.: "survival of the fittest..."). (224) Verder, zelfs als moderne biologen enige vooruitgang of telos (doel) in de natuur ontkennen, gebruiken ze daarnaast zonder schroom ook nog termen als "systeem", "feedback", (225) "informatie", "selectie" en "adaptatie", "evolutie", etc., welke impliciet teleologische termen zijn. (226) En sommige moderne biologen, die zich tegen teleologie in de niet-menselijke natuur uitspreken, geloven nog steeds in een bepaalde vorm van vooruitgang. (227)
Wanneer we alle voorafgaande argumenten samen nemen, lijken we er welhaast niet aan te kunnen ontkomen om in de natuur hogere krachten aan het werk te zien die het geheel sturen. (228) Wellicht komen we er zelfs toe om, aangezien de wereld als geheel op elkaar is afgestemd, één hoogste principe aan te nemen, een Schepper, die de wereld in de toename van complexiteit en functionaliteit stuurt. Dit laat het bestaan en de werking van secundaire oorzaken natuurlijk onverlet, (229) zoals b.v. de natuurlijke selectie. Alleen, deze secundaire oorzaken alléén kunnen nooit datgene voortbrengen wat we elke dag om ons heen zien en meemaken, en zijn. Er is een overschot van het geheel, dat de som van de delen ten ene male te boven gaat. Dit geldt voor de geleidelijke, maar m.n. ook voor de sprongsgewijze overgang van de ene naar een andere soort. (230)
Een fundamentele vraag blijft het moment van het ontstaan van de soort die wij nu in het algemeen aanduiden met het begrip "mens". Wanneer werd de mens menselijk? Was dat op het moment dat de mens rechtop liep, een grotere schedelinhoud dan 1000cc. had, gereedschappen gebruikte, vuur kon aanleggen, taal had, (231) etc.? Het is moeilijk hier een antwoord op te geven, ook omdat de archeologische vondsten wel erg weinig houvast bieden. (232)
Hoe het ook zij, toegegeven moet worden dat de mensen die nu leven fundamenteel anders zijn dan apen (233) - hun intelligente natuur is niet slechts gradueel maar wezenlijk verschillend van die van de andere primaten (234)- dan moet er iets ingrijpends gebeurd zijn op het moment van ontstaan van de eerste mensen. Omdat de ziel van de mens van een geestelijke natuur is - ze is immers de drager van een immateriële werking, het denken - daarom kan het levensprincipe van de mens niet ontstaan zijn uit om het even welk materieel substraat van eicel en zaadcel van een primaat. Er is blijkbaar elke keer dat een mens ontvangen wordt een direct ingrijpen van het Hoogste Scheppingsprincipe nodig. (235) Hoewel we kunnen toegeven dat onze lichamen veel lijken op die van de primaten, toch moeten we de bovennatuurlijke oorsprong van de ziel van de mens aannemen, om zijn geestelijke natuur, zijn persoonzijn, uniciteit en waardigheid te garanderen.
We merken doelgericht gedrag in mensen. Dit geldt voor het organische niveau, (236) maar vooral op het geestelijke vlak: mensen maken plannen, en werken aan de oplossing van problemen. Typisch menselijk is ook de vraag naar zin en betekenis van het leven. (237)
Een eerste vraag in verband met de evolutietheorie is, hoe mensen tot dit doelgerichte gedrag komen, wanneer onze oorsprong - en dus ook ons doel! - louter toevallig is, en we niet meer dan toevalsproducten zijn. Kan doelgericht handelen helemaal voortkomen uit accidentele oorzaken? (238) Wat zouden wij ons immers voor zinvolle doelen kunnen stellen als het onmetelijke heelal zelf doelloos is?
Het echte probleem komt m.n. om de hoek kijken, wanneer we naar de fundamenten van de ethiek en religie kijken, naar de grondslag van waarden en normen die verplichtend karakter bezitten.
Allereerst is moreel en religieus (239) gedrag bij uitstek en wezenlijk doelgericht gedrag, d.w.z. gericht op iets goeds, (240) op een waarde. (241) Zonder een doel van mijn handelingen, d.w.z. iets dat goed voor mij of jou of ons is, is er geen hiërarchie van waarden. Waarden worden afgemeten naar een doel, dat goed is.
Ten tweede, normen, d.w.z. wetten die een bepaald gedrag als goed of slecht verplichtend voorschrijven resp. afwijzen, zijn zonder referentiekader waarbinnen een orde tot een doel heerst totaal ondenkbaar. Een louter beroep op de biologie (242) lijkt hierbij te weinig te verklaren. Daarbovenop komt nog dat ethiek als normatieve wetenschap niet kan worden afgeleid uit pure bestaande feiten of zelfs waarden. Dit wel te doen zou de zgn. "natural fallacy" zijn, nl. het afleiden van "ought" vanuit "is", het "moeten" vanuit het "zijn". Wanneer nu de ontwikkeling van de soorten louter toevallig zou zijn, kan er voor geen enkele soort ooit een verplichte richting voor de toekomst worden gevonden, en is er geen enkele normering van dingen en handelingen mogelijk. (243)
Een evolutie zonder doel heeft dus geen hiërarchie van waarden, en a fortiori, geen normatieve structuren. Strikt gesproken zijn chaos, anarchie, immoraliteit en zedeloosheid in zo'n "systeem" even acceptabel als rechtvaardigheid en vrede. Sociaal gedrag is niet méér te prefereren dan asociaal gedrag. Zelfs niet als de soort of de individuele "zelfzuchtige" genen (244) er "baat" bij vinden. Want wat is dan "baat hebben bij"? Zelfs het overleven of voortplanten in een toevallig universum is geen geprefereerde status. Men kan zelfs niet meer zeggen dat er een "donkere", "kwade", of "bedreigende" kant aan de natuur en/of ons is. (245) Deugd en zonde zijn in deze situatie evenwaardig. De nihilistische ethiek van Nietzsche, met zijn "Umwertung aller Werte", (246) die nog de emoties als hoogste waarde accepteerde, is uitermate hoogstaand in vergelijking met de totale "Vernichtung aller Werte" die op een dergelijk wereldbeeld zou volgen. Machiavelli is nog een heilige vergeleken met de ethici van dit drogbeeld, aangezien hij tenminste nog de waarde van de macht overeind hield… (247)
Het enige wat overblijft zou een ethiek op grond van toevallige afspraken kunnen zijn, maar iedereen voelt dat daar voor de toevallig bestaande individuen dan nog geen enkele verplichting uit zou volgen. Trouwens, we voelen na Auswitsch dat ethiek een verplichtend karakter heeft buiten afspraken om, (248) en dat is in een toevallig universum ten ene male onmogelijk. Waarom zouden we die afspraken eigenlijk ook maken? Nogmaals, overleven is in dat geval geen doel!
En dus kon, zoals we zagen, reeds Charles Darwin zelf stellen, dat een van de grootste moeilijkheden bij het ontkennen van teleologie in de evolutietheorie het onmogelijk worden is van een consistente moraal (249) en religie. (250) Wanneer er geen voorgegeven doel is, op hetwelk ons gedrag geordend is, zij het individueel, zij het qua maatschappij, dan is onze wetboek overbodig, en is onze menselijke waardigheid ook zeker niet groter dan die van vrij in het rond zwevende atoompjes, maar dan wel nog zonder natuurwetten... (251)
Kort gezegd: waarden en normen kunnen niet bestaan in een toevallig universum, omdat ze een in de natuur verankerde verplichte doelgerichtheid veronderstellen.
Een ander probleem vormt het bestaan van (menselijk) altruïsme. De "survival of the fittest" veronderstelt immers een constante oorlog tussen individuen. (252) En, inderdaad, er is veel geweld in de dierenwereld, (253) tot aan de hoogste primaten toe. (254) Maar er is, merkwaardig genoeg, ook gedrag dat anderen helpt te leven. Er is b.v. evolutie door associatie van verschillende levensvormen. (255) En wat te denken van seksualiteit, waarbij de genen van de een samenwerken met die van de ander? In paarvorming en opvoeding van nakomelingen blijkt heel duidelijk altruïstisch gedrag. Maar ook in groepen en zelfs tussen soorten in de dierenwereld zijn er vele voorbeelden van - al is het maar schijnbaar - zelveloos gedrag, m.n. t.a.v. zwakkere individuen. Is het eco-systeem van de aarde zelfs niet vergeleken met één organisme? (256)
Er zijn verschillende pogingen ondernomen om dit probleem van het altruïsme m.b.v. biologische categorieën op te lossen. (257) Een eerste is de hypothese van de "groepselectie", d.w.z. de concurrentie tussen groepen individuen i.p.v. tussen de individuen zelf. (258) Een tweede mogelijke oplossing zou de "gen-selectie", d.w.z. de attractie van gelijksoortige genen in een stam: altruïsme in dit geval is slechts egoïsme. Er kunnen hierbij twee vormen worden onderscheiden: "kin-selection" (259), d.w.z. waarschuwingssignalen en bescherming tussen familieleden, (260) en wederzijdse hulp. (261)
In mensen lijken deze evolutionaire, (262) uiteindelijk materialistisch egoïstische "Selfish gene"of zelfs "Tit for tat" theorieën van veel evolutionisten (263) echter geen recht te doen aan specifiek menselijke morele kenmerken, (264)xxx zoals het eerst doden voor het eten, (265) de verzorging van geestelijk gehandicapten, (266) en m.n. de liefde van mensen als moeder Theresa (267) of Maximiliaan Kolbe's. De betere vormen van menselijk altruïsme zijn meer dan een uiting van egoïstisch genen. (268) Om het in Marxistische termen uit te drukken: de "onderbouw" van de biologie kan de "bovenbouw" van de moraal van m.n. het christendom niet verklaren. Helaas moeten we niettemin toegeven dat de meerderheid van de mensheid nog op een vrij basaal niveau met elkaar omgaat. Geen wonder dat de ethologen mensen zo gemakkelijk met apen vergelijken…
Allereerst zij opgemerkt dat het verwijzen naar God niet noodzakelijkerwijze a priori een "schadelijk circulair en onwetenschappelijk argument" is, zoals een standaardwerk over evolutie ons wil doen "geloven". (269)
Verder zijn er zijn interessante pogingen om evolutietheorie en bijbels scheppingsgeloof te combineren. (270) Zo is er b.v. de these van Gerald Schröder (271), die de tijdschalen van de ontwikkeling van de aarde met die van Genesis vergelijkt. Of het de bedoeling van Genesis was om in letterlijke zin mededelingen te doen over de volgorde van schepping, is echter de vraag. (272)
Hoe staat de leer van de kerk t.o.v. de mogelijkheid van de verandering van soorten? M.b.t. deze vraag moeten we enige distincties maken.
Enerzijds lijkt de hele materie "bezield" om te leven. Het is alsof er in de elementen van deze wereld een kracht tot leven aanwezig is, die niet ophoudt zich tot leven te organiseren, tot ze, zoals het Tweede Vaticaans Concilie het mooi uitdrukt, hun hoogste uitdrukking vinden in de mens, die zijn Schepper verheerlijkt. (273) Inderdaad, in de mens roepen de stenen (Lc. 19,40). Het lijkt dan ook opportuun om deze bezieling weer onder woorden te brengen. Wellicht is de klassieke term psychè of anima hiervoor nog het meest geschikt. (274)
Anderzijds lijkt het onomstotelijk vast te staan, dat niets een ander zijnde bepaalde eigenschappen kan verschaffen, tenzij dit veroorzakende zijnde deze eigenschappen zelf bezit. Immers, niets gaat van slechts mogelijkheid naar werkelijkheid, van potentia naar actus, tenzij door een ander zijnde dat reeds in actu is. (275) Voorwaarde voor de acceptatie van één van de vormen van evolutionisme is derhalve de aanname van een doel- en werkoorzaak die de gehele gang van moleculen, via eencelligen naar de mens leidt. Zoals K. Rahner het uitdrukte, God "drukt" voortdurend tegen de schepping aan. (276) In de overgang van aap naar mens is zelfs een rechtstreeks ingrijpen van de Schepper nodig, daar geesten niet door andere geesten kunnen worden voortgebracht. (277)
Dit goddelijk "overzicht" houdt echter geen occasionalisme in, d.w.z. dat God overal rechtstreeks de oorzaak van is. Secundaire oorzaken, de "zielen", kunnen zeker grote rollen spelen. God gebruikt immers zoveel mogelijk zijn schepping om die schepping te verbeteren. Met alle beperkingen die dat met zich meebrengt: zovele individuen sterven immers als voedsel voor anderen… Zoals Arthur Peacocke het zegt, Hij speelt muziek op de noten die Hijzelf heeft gemaakt. (278) En schrijft zelfs recht op de kromme lijnen van de schepping.
Concluderend zouden we kunnen zeggen dat we aan de keizer moeten geven wat van de keizer (d.w.z. de schepping) is, en aan God wat van God is (Mc. 12,17). (279)
Mgr. de Jong
1 Cf. Plutarchus, De placitis philosophorum, V,5
2 Cf. Aristoteles, De anima 198B,16-32; Cf. R. Richards, The Meaning of Evolution (Chicago: University of Chicago Press, 1992), p. 63, n. 1
3 Cf. voor een overzicht van dit concept: A.O. Lovejoy, The Great Chain of Being (Cambridge: Harvard University Press, 1936)
4 Cf. Cicero, De natura deorum, 81: "[They say] that the power of a seed is such that, despite its minute size, if it meets with a receptive and vavourable nature, and gets hold of the sort of matter which can nourish it and foster its growth, the seed can produce each sort of thing, according to its kind…" (gec. in B. Inwood, L. Gerson, Hellenistic Philosophy. Introductory Readings (Indianapolis: Hackett, 1988), p. 112; Arius Didymus, fr. 20: "Through this [primary matter] runs the rational principle of the universe, which some call fate, being just like the seed in seminal fluid." (gec. in Inwood, Gerson, Ibid., p. 124)
5 Cf. Enneaden II,3,13-14, 16-18; II,4,2
6 Cf.: "…in cuius elementis simul sunt condita, quae post accessum temporis orirentur" De genesi ad litteram 6,1,2. Cf. Confessiones, XIII,4; De Trinitate, VI,7-8; Cf. A. Mitterer, Die Entwicklungslehre Augustins (Wenen, 1956)
7 "Omne quod est imperfectum derivatur ab aliquo perfecto; nam perfecta naturaliter priora sunt imperfectis sicut actus potentia." Summa Contra Gentiles I,44
8 "Via generationis ab imperfectioribus ad perfectiora pervenitur, et hoc ordine quod quae imperfectiora sunt, prius ordine naturae producuntur. In via enim generationis quanto aliquid perfectius est, et magis assimilatur agenti, tanto tempore posterius est, quamvis sit prius natura et dignitate. Et ideo, quia homo perfectissimum animalium est, ultimo inter animalia fide debuit." De Potentia. 4,2 ad 33
9 Cf. Summa Theologica I,94,3
10 Cf. N. Luyten, "Evolutionisme en Wijsbegeerte", in: Idem, Ordo Rerum (Freiburg: Universitätsverlag, 1969), pp. 151-177. Teksten die een graduele kijk op ontwikkeling mogelijk lijken te maken zijn, naast de genoemde tekst uit De potentia:
In XII Metaphysica, lect. 2: "Licet enim materia prima sit in potentia ad omnes formas, tamen quodam ordine suscipit eas. Per prius enim est in potentia ad formas elementares, et eis mediantibus secundum diversas proportiones commixtionum est in potentia ad diversas formas: Unde non potest ex quolibet immediate fieri quodlibet, nisi forte, per resolutionem in primam materiam."
De Veritate. 5,3: "Perfectibile enim non unitur formae nisi postquam est in ipso dispositio, quae facit perfectibile receptivum talis formae, quia proprius actus fit in propria potentia: sicut corpus non unitur animae ut formae, nisi postquam fuerit organizatum et dispositum."
11 Cf. "Unumquodque quod est in inferiori gradu rerum desiderat assimilari superioribus quantum potest. Et hoc est quod [Aristoteles] subiungit quod omnia appetunt illud, scilicet assimilari divino et immortali, et illius causa agunt quaecumque naturaliter agunt." In II De anima, lect. 7.
Cf. echter ook: "Nihil secundum propriam speciem agens intendit formam altiorem sua forma; intendit enim omne agens sibi simile." S.C.G., III,23
12 Cf.: "…non quod aqua aut terra habeat in se virtutem producendi omnia animalia, ut Avicenna posuit; sed quia hoc ipsum quod ex materia elementari vitrute seminis vel stellarum possunt animalia produci, est ex virtute primitus elementis data" S.Th. I,70,1 ad 1; "…corpus celeste habet rationem instrumenti" S.Th. I,70,3
13 Cf. In II Sent., dist. 12, q. 1, a. 2; Summa Theologica I,115,21
14 Cf. S.Th. I,91,2 ad 2; In II De anima, lect. 7
15 Urbild und Ursache in der Biologie (München/Berlin, 1931). Cf. B. Steiner, Theorie der Vererbung (Leipzig, 1935); Stilgesetzliche Morphologie (Innsbruck/ Leipzig, 1937)
16 Cfr. V. Brezik, "The Descent of Man According to Thomas Aquinas", in: Idem, uitg., Thomistic Papers I (Houston, Tx: Center for Thomistic Studies, 1984), pp. 83-108
17 Cf. E. Mayr, The Growth of Biological Thought (Cambridge, Mass.: Belknap, 1982), pp. 326-7
18 Cf. zijn Monadologie (1714)
19 Cf. F.M. Wuketits, Grundriss der Evolutionstheorie (Darmstadt: Wissenschaftliche Buchgesellschaft, 1982), pp. 15v.
20 De droom van D'Alembert (Meppel: Boom, 1980)
21 De droom van D'Alembert, pp. 63-64; E. Mayr, Growth, p. 338
22 Vertoog over de ongelijkheid (1755) (Meppel: Boom, 1983), p. 57
23 Cf. zijn Phenomenologie des Geistes (1807) (Frankfurt am Main: Suhrkamp, 1983)
24 De categorie familie is pas later in de achttiende eeuw toegevoegd. Cf. D. Young, The Discovery of Evolution (Cambridge: Cambridge University Press, 1992), p. 58. Tegenwoordig is de volgorde: Rijk, Stam, Klasse, Orde, Familie, Geslacht en Soort. Vgl. J. Aitchison, De sprekende aap. Over oorsprong en evolutie van de menselijke taal (Utrecht: Spectrum, 1997), pp. 65-67
25 Cf. E. Mayr, Growth, p. 340v.; Wuketits, Grundriss, p. 19
26 Cf. A. Cunningham and N. Jardine, uitg., Romanticism and the Sciences (Cambridge: Cambridge University Press, 1990); H. Snelders, Wetenschap en intuïtie. Het Duitse romantisch-speculatief natuuronderzoek rond 1800 (Baarn: Ambo, 1994); Cf. Richards, The Meaning, p. 21vv.
27 Cf. voor een overzicht: R. Riedl, "The Role of Morphology in the Theory of Evolution", in: M. Grene, uitg.., Dimensions of Darwinism. Themes and Counterthemes in Tentieth-Century Evolutionary Theory (Cambridge: Cambridge University Press, 1983), pp. 205-240
28 Cf. E. Mayr, Growth, p. 455; Richards, The Meaning, p. 50
29 Cf. zijn Kritik der Urteilskraft (1790), in: Kants Werke (Berlin: Walter de Gruyter, 1968), V,408, regel 19
30 Cf. Richards, The Meaning, pp. 39-42
31 Cf. zijn Erster Entwurf eines Systems der naturphilosophie (1799)
32 J.F. Meckel, System der vergleichenden Anatomie, 7 vol. (Halle: Rengersche Buchhandlung, 1821)
33 Cf. Richards, The Meaning..., p. 54
34 Cf. E. Mayr, Growth, p. 388
35 Cf. Die Metamorphose der Pflanzen (1790). Cf. W. Zimmermann, Evolution. Geschichte ihrer Probleme und Erkenntnisse (Freiburg: Alber, 1953) (Wuketits, pp. 18.25); Richards, The Meaning, pp. 31-38
36 Cf. zijn Attempt of a History of the Plant World (1852)
37 Voor deze term, zie H.-C. Martius, Abstammungslehre (München: Kösel, 1949), pp. 273vv.
38 Cf. E. Mayr, Growth, p. 462f
39 Cf. Richards, The Meaning, p. 52
40 Cf. Mayr, Growth, p. 460
41 Cf. ook Richards, The Meaning, pp. 50v.
42 Young, Discovery, p. 90
43 Cfr E. Mayr, Growth, pp. 464vv.
44 Cf. zijn Contemplation de la nature (1764) (Wuketits, p. 18)
45 Cf. M. Bierbaum, A. Faller, J. Träger, Niels Stenson. Anatom, Geologe und Bischof 1638-1686 (Münster: Aschendorf, 19893), pp. 36 vv.; Cf. Young, Discovery, pp. 41 vv.
46 Cf. Young, Discovery, pp. 66vv.
47 Cf. Young, Discovery, pp. 72vv., 89; Cf. M. Rudwick, Georg Cuvier, Fossil Bones, and Geological Catastrophes: New Translations and Interpretations of the Primary Texts (Chicago: University of Chicago Press, 1997
48 In beknopte versie uitgegeven bij Penguin, London: 1997
49 Cf. Richards, The Meaning of Evolution, pp. 5-16; C. Pinto-Correia, The Ovary of Eve: Eggs and Sperm and Preformation (Chicago, University of Chicago Press, 1997)
50 Deze tekst is van een anonieme boekbespreking uit 1670 (sic!?) van Swammerdams Historia insectorum generalis (postuum uitgegeven in 1685), die voor de eerste keer de term evolutie gebruikte. Geciteerd in: Richards, Meaning of Evolution, pp. 8, n. 6
51 Cf. Richards, The Meaning, p. 8
52 Harvey maakte een onderscheid tussen twee manieren van individuele verandering: per metamorphosin, waarin de reeds ontwikkelde organen totaal veranderen (b.v. de rups die in een vlinder verandert) en per epigenesin, wanneer uit een ongedetermineerde, homogene vloeistof een concreet, gearticuleerd heterogeen individu ontstaat. Cf. Richards, The Meaning, pp. 6-7
53 Cf. Richards, The Meaning, p. 5
54 Cf. Origin of Species, p. 428vv.
55 Cf. S. Shostak, Embryology (New York: Harper Collins, 1991), pp. 696vv.
56 Cf. De generatione Animalium 733b 1-10; 736b 13-14 Cf. S.J. Gould, Ontogeny and Phylogeny (Harvard: Belknap, 1977), pp. 15v.
57 Cf. Considerations..., pp. 253-55. Verwezen door Richards, The Meaning of Evolution, p. 10v.; vgl. ook: Palingénésie philosophique
58 Cf. Richards, The Meaning, p. 18; Gould ontkent dat Hunter het eerste was: Ontogeny and Phylogeny, p. 16v.
59 Cf. Richards, The Meaning..., p. 18v.
60 Cf. zijn Supplementa ad historiam embryonis humani (Tübingen, 1797)
61 Cf. Abhandlungen aus der menschlichen und vergleichenden Anatomie und Physiologie (Halle: Hemmerde und Schwetschke, 1806), p.294
62 Zoonomia or the Laws of Organic Life, 2d ed. (London: Johnson, 1796), I:502 Gec. in Richards, Evolution, p. 94
63 System der vergleichenden Anatomie. 7 vol. (Halle: Rengersche Buchhandlung, 1821), vol I, p. 345, gec. in Mayr, Growth, p. 471
64 (Anatomie companée du cerveau, 2 vols. (Paris: Gabon, 1824-27), 1:xv-xvi)", gec. in: Richards, The meaning..., p. 15; cf. E. Mayr, Growth, p. 471v.
65 Cf. L. Agassiz, "Essay on classification", in: "Contributions to the Natural History of the United States, vol. 1 (Boston: Little, Brown & Co., 1857/Cambridge: Harvard University Press, 1962, E. Lurie, uitg.), p. 114 van de Lurie uitgave (Gec. in Mayr, Growth, p. 474)
66 Cf. his Generelle Morphologie der Organismen: Allgemenne Grundzüge der organischen Formen-Wissenschaft, mechanisch begründet durch die von Charles Darwin reformierte Descendenz-Theorie (Berlin: Georg Reimer, 1866), gec. in Mayr, Growth, p. 474
67 Entwicklungsgeschichte der Thiere: Beobachtung und Reflexion (Königsberg: Bornträger, 1828); Cf. E. Mayr, The Growth, pp. 472v.; Richards, The Meaning, pp. 17vv., 56vv.
68 Cf. Richards, The Meaning, pp. 98vv.
69 Cf. Richards, Meaning, pp. 106vv., 126vv.
70 E. Mayr, Growth, p. 328-9
71 Cf. Mayr, Growth, p. 333
72 Cf. An Essay on the Principle of Population (1798) (Middlesex: Penguin, 1982); Cf. ook: T. Benton, "Science, ideology and culture: Malthus and The Origin of Species", in: D. Amigoni en J. Wallace, red., Charles Darwin's The Origin of Species (Manchester: Manchester University Press, 1995), pp. 68-94
73 The Autobiography of Charles Darwin, uitg. Nora Barlow (London: Collins, 1958), p. 120. Gec. in Mayr, Growth, p. 477v. Cf. pp. 491vv.
Cf. ook de volgende passage, waar hij spreekt over het "inexplicable problem how the necessary degree of modification could have been effected, and it would have thus remained forever, had I not studied domestic productions, and thus acquired a just idea of the power of selection. As soon as I had fully realized this idea, I saw, on reading Malthus on Population, that natural selection was the inevitable result of the rapid increase of all organic beings; for I was prepared to appreciate the struggle for existence by having long studied the habits of animals." Ch. Darwin, The Variations of Animals and Plants under Domestication (J. Murray, 1868), vol. I, p. 10. Geciteerd door Anthony Flew, "Introduction", in: Th. R. Malthus, An Essay on the Principle of Population and a Summary View of the Princ