Jezus in de apologetiek.

door

Tjerk Muller

 

Samenvatting: In dit artikel wordt verkend welke stappen genomen kunnen worden wanneer men het Christelijk geloof fundamenteel rationeel wil verantwoorden. Dit begint met een beschouwing van het waarheidsbegrip, gevolgd door opmerkingen over de zoektocht naar de historische Jezus, de betrouwbaarheid van de evangeliŽn en de verhouding tussen de Bijbel en de belijdenisgeschriften.

Moeilijkheidsgraad

Navigatietips:


Overzicht inhoud:

Inleiding

I. Het startpunt van de apologetiek
        Apologetiek als methode tot verantwoording van de levensbeschouwing

II. Wat is waarheid?
        a) definitie
        b) methode
        c) zekerheid
        d) inhoud

III. De evangeliŽn als bronnen omtrent Jezus

IV. Opstanding

V. Verhouding tussen canon en credo

VI. Jezus en andere Godsdiensten

Literatuur

© Tjerk W. Muller, 24 juni, 2001


Het volgende artikel is een bewerking van een inleidingsartikel voor een workshop 'Jezus in de apologetiek', gehouden op de theologische studentenvereniging Themelios. Themelios heeft een evangelisch, postmodern karakter. De vereniging is divers, legt de nadruk op persoonlijke beleving van geloof, heeft een open oor voor de wetenschap en een open oog voor de cultuur.
De workshop stond in het kader van een studieweekend:  'Met andere ogen. Jezus-perceptie in Islam,  Jodendom en Esoterie', dat gehouden werd van 6 tot 9 april 2001. Een revisie in de bespreking van het waarheidsbegrip is op filosofische gronden doorgevoerd.  Het taalgebruik is iets formeler gesteld, hetgeen het artikel minder toegankelijk maakt. Theologische insiders-noties zijn verwijderd. Hier en daar zijn wat verhelderende zinnen toegevoegd.
De vragen uit het oorspronkelijke artikel  zijn gehandhaafd, omdat deze de lezer helpen nu en dan even stil te staan en de gedachten te ordenen.

 

Het nu volgende artikel is bedoeld om een beknopt overzicht te geven welke plaats Jezus in de apologetiek inneemt. Het werpt de vraag van het nut en/of de noodzaak van apologetiek op, en haar gebruikelijke methoden in het licht van huidige stand van zaken in de nieuwtestamentische wetenschap. Het artikel kan echter vanwege de brede aanpak niet volledig zijn. Ook zijn verschillende standpunten voor de helderheid scherp uiteengezet.

Het artikel kan verhelderend en prikkelend zijn voor christenen, die geÔnteresseerd zijn in de intellectuele kant van de christelijke levensbeschouwing, maar ook voor diegenen die juist geen heil zien in apologetiek. Zowel voor christenen die zichzelf liberaal achten als voor diegenen die zich conservatief zouden noemen biedt het artikel stof tot nadenken, aangezien verschillende kanten van de zaak belicht worden, en er wel een lijn getrokken wordt, maar geen expliciet inhoudelijk oordeel gegeven.
Ook voor wie zich niet rekent tot een aanhanger van het christendom, kan het artikel inzicht bieden in eigen argumentatielijnen en het eigen beeld van Jezus, alsmede stimuleren deze nader te doordenken.

I. Het startpunt van de apologetiek

De apologetiek begint meestal impliciet of expliciet bij het traditioneel/ orthodoxe christelijke traditie, dat wil zeggen; bij het christendom zoals dat is gedefinieerd volgens de Vroeg-Kerkelijke, oecumenische belijdenissen, en gefundeerd in de geschriften van het Nieuwe Testament. De bedoeling van apologetiek is het rationeel/ intellectueel verantwoorden van deze vorm van christendom, die ondanks de huidige theologische crisis van het Westen nog zeer altijd bepalend is voor het overgrote deel van het wereldchristendom (men denke aan de Oosterse-Orthodoxie, Zuid-Amerikaans rooms-katholieke en charismatische christenen, Afrikaanse en Aziatische gelovigen).

Men bedrijft apologetiek vanuit de ervaring dat een mens niet een te grote spanning tussen verstand en levensbeschouwing kan bogen. Met een concreet voorbeeld; als nergens in het Nieuwe Testament aanleiding is om Jezus als God te denken, gaat men zich vanzelf afvragen waar de belijdenissen eigenlijk op slaan.

Apologetiek als methode tot verantwoording van de levensbeschouwing

Als historisch denkende mensen zijn wij geneigd de basis voor de christelijke godsdienst te zoeken in de historische figuur van Jezus van Nazareth. Hoe moeten wij deze man denken? Als een van de vele joodse rabbiís? Als de laatste profeet voor Mohammed? Als een esoterische wijsheidsleraar of zelfs; een incarnatie van de bhudda? Of doet het het meest recht aan Jezus over hem te denken in termen van het beeld dat zich in de Vroege Kerk ontwikkeld heeft, het beeld dat de Christelijke oecumene van Jezus?

Apologeten gaan ervan uit dat men zich als mens terecht een beetje onprettig voelt, wanneer men hierin alleen op grond van persoonlijke voorkeuren een keuze te maakt. Een ieder zou graag willen, dat het religieuze beeld dat men zich in de loop der jaren vormt van God en diens vertegenwoordigers, ook enigszins spoort met de werkelijkheid. Ook de auteur van dit artikel zou zich flink in de maling genomen voelen door de kerkelijke belijdenissen over Jezus, indien Christus slechts een profeet was, of alleen maar een radicale rabbi.
De vraag die de apologetiek stelt is: Welke redenen hebben we om aan te nemen, dat Jezus is wie de Vroege Kerk en de christelijke oecumene zegt dat hij/Hij is? Daarin neemt de apologetiek de andersdenkende en diens twijfels uitermate serieus. Zo serieus dat ze die andersdenkende ook flink durft te bevragen, hoe hij bij zijn of haar Jezusbeeld komt.

II. Wat is waarheid?

Voordat we aan de slag gaan moeten we eerst stilstaan bij de filosofische vraag: Wat is waarheid? Deze vraag omvat verschillende aspecten.

a) Ten eerste omvat het het aspect van definitie. Hoe definiŽren we wat binnen het begrip Ďwaarheidí valt?

Allereerst is daar wat we hier de realistische waarheidsdefinitie zullen noemen. Deze stelt: 'Alleen datgene wat overeenkomt met de werkelijkheid, alleen dŠt is waar. Alles wat daarbuiten valt is onwerkelijk, en dus onwaar.' Deze waarheidsdefinitie heeft met name in de vorige eeuw geleid tot verhitte debatten of de bijbel betrouwbaar was, dat wil zeggen, of de bijbel wel met de werkelijkheid overeenstemmende feiten meedeelde. Die discussie komt nog altijd terug in veel apologetische debatten. Met name het inerrantisme (de leer van de historische & natuurkundige onfeilbaarheid van de bijbel) hanteert deze waarheidsdefinitie. 

De aantrekkelijkheid van deze positie is gelegen in de intuÔtie dat wat overeenkomt met de werkelijkheid in ieder geval op ťťn manier waar moet zijn. Als ik een boom waarneem, kan veel waar zijn van deze boom; hij kan mooi zijn, oud zijn, in mijn weg staan, bruin zijn, groen zijn etc. Maar ťťn ding is in ieder geval waar van de boom; hij bestaat werkelijk.

Wat voor de materiŽle werkelijkheid opgaat, geldt ook voor de religieuze werkelijkheid. God bestaat werkelijk ůf God bestaat niet werkelijk, maar God kan niet een beetje bestaan. Daarom, als de Bijbel zegt dat God bestaat, of dat Jezus gezonden is door God, betreft het uitspraken over de werkelijkheid. Ofwel God heeft gewild en bewerkt dat Jezus tot bepaalde mensen met een bepaalde boodschap ging, of Hij heeft dit niet gewild. 

Aan de andere kant zullen weinig mensen beweren dat poŽzie, of een symbool of een metafoor onwaar zijn, hoewel ze strict genomen niet altijd de werkelijkheid beschrijven. Als de Bijbel Jezus als een 'Lam' beschrijft betekent dat niet dat Jezus werkelijk een vierpotig zoogdier van de schaapachtige soort is. Evenwel kan de uitspraak waar zijn, in die zin dat ze iets over Jezus uitdrukt, wat overeenkomt met zijn karakter en handelen. En een sprookje, of een nationale legende; ook zij lijken waarheid te kunnen uitdrukken, anders werden ze niet steeds opnieuw verhaald.

Tegenover de realistische definitie staat het existentialisme, dat stelt dat de vereenzelviging van waarheid en werkelijkheid een verwarring van taalvelden met zich meebrangt. De wetenschappen hanteren het taalveld van feiten en standen van zaken, terwijl het geloof het taalveld van de existentiŽle ervaring aanboort, zo wordt wel gesteld.  Wetenschap en levensbeschouwing zijn dan niet tegengesteld, maar beschrijven verschillende aspecten van de werkelijkheid. Wetenschap en levensbeschouwing worden dan gezien als van elkaar onderscheiden dimensies van het menselijk kennen, ieder met eigen wetten en regels. Het is daarom geen probleem als niet alles in de bijbel feitelijk zo gebeurt is. 

Voordeel van deze positie is dat men ook legendarische en mythische elementen in de Bijbel positief kan waarderen, en dat men minder moeite heeft bepaalde geloofsvoorstellingen uit de antieke cultuur, die ons vreemd of zelfs aggressief aandoen in het eigen denken over God een plaats te geven. Een belangrijke vraag die echter aan deze positie kleeft is in hoeverre men niet het gevaar loopt een kloof te maken tussen de concrete werkelijkheid en de levensbeschouwing.

Men zal begrijpen dat er natuurlijk ook allerlei middenposities mogelijk zijn. De meeste apologeten zullen zich meer aangetrokken voelen tot een realistische waarheidsdefinitie, dan tot de existentialistische. Belangrijk is vooral dat de lezer voor zichzelf helder krijgt, waar hij of zij in de waarheidsdefinitie staat; wanneer men iets tot waarheid rekent, en wanneer niet.

b) Een tweede aspect van de vraag naar de waarheid, omvat de methode waartoe men tot de vaststelling van de waarheid komt.

Vanuit de concrete gegevens: als de concrete werkelijkheid zo bepalend is voor de waarheid als het realisme meent, doet men er goed aan op zoek te gaan naar gegevens over de historische Jezus, met de vraag of de eerste Gemeente Jezus goed gezien heeft, en of er in die reconstructie van de historische Jezus en de interpretatie van zijn eerste leerlingen aanleiding is voor de metafysische bespiegelingen van Nicea tot Chalcedon.

Vanuit de subjectieve ervaring: De moeilijkheid in dit soort historische vragen een uiteindelijke wetenschappelijke zekerheid te bereiken, is voor sommigen dan aanleiding om toch maar in de spirituele bevestiging toevlucht te nemen. Ook hier wordt het belang van de waarheidsdefinitie zichtbaar. Immers, een mysticus of existentialist zal menen dat de historie er totaal niet toe doet: uiteindelijk is de waarheid van het eigen subject veel belangrijker. Nico ter Linden lijkt als voorstander van de Amsterdamse school, op dit standpunt te staan. Ook in bevindelijk-gereformeerde en evangelische-charismatische kringen valt deze gedachtengang te bespeuren.

Desalniettemin; ook ter Linden maakt gebruik van historische argumenten, bijvoorbeeld om te komen tot een reconstructie van wat er werkelijk gebeurd is rond Jezus' opstanding. En ook bevindelijke en charismatisch ingestelde gelovigen zoeken een formele bevestiging van hun geloof, bijvoorbeeld in de onfeilbaarheid van de Schrift, of in bijbelwetenschappers die de historische betrouwbaarheid van de Bijbel voorstaan. De vraag is hier weer: kan de concrete werkelijkheid helemaal ontlopen worden, en anderzijds, biedt  historisch onderzoek wel voldoende resultaat voor een definitief religieus oordeel inzake Jezus?

c) Een derde aspect is de vraag naar de zekerheid. Wanneer kun je stellen dat je de waarheid kent? Hoe zeker moet je daarvoor zijn? Ook hier zijn weer twee uitersten te noemen:

Voor degene die zich tot de empirische benadering aangetrokken voelt zijn er twee uitersten:

Voor de subjectivist is de vraag naar zekerheid eenvoudig. Zuiver vanuit de eigen intuÔtie is het gelegitimeerd om iets voor waarheid te houden. Echter; alles is dan geoorloofd voor waar te houden. 

Ook hier zijn weer allerlei tussenposities te bedenken. De vragen die dit aspect van de waarheid beheersen zijn, hoe overtuigd moet men zijn voordat men kan zeggen dat men ergens zeker van is? Hoe aannemelijk moet iets zijn om voor waar te kunnen worden gehouden?

d) Het vierde aspect van de waarheidsvraag is dat van de inhoud van de waarheid.

Sommigen zien Jezus als gewoon mens, anderen als guru, en weer anderen als mens in wie God vleesgeworden is. U zult begrijpen dat de apologetiek, vanuit de Vroeg-Kerkelijke, oecumenische belijdenissen zich fel afzet tegen het liberaal-christelijke beeld van Jezus als niets meer dan de meest geÔnspireerde Joodse wijsheidsleraar. Apologeten ervaren dat gewoonlijk als een aanval van binnenuit op het Christelijk geloof.

Vragen:

  1. Hoe definieert u waarheid? Is er waarheid te vinden buiten feiten (men denke aan poŽzie, of een fictieve anekdote)? Aan de andere kant: kan waarheid helemaal los staan van de werkelijkheid?
  2. Hoe denkt u achter de waarheid omtrent Jezus van Nazareth te kunnen komen?
  3. Wanneer acht u het voor uzelf gerechtvaardigd, iets voor waar te houden?
  4. Hoe ziet u Jezus van Nazareth? Waarom? Hoe de spelen eerste drie aspecten van waarheid (definitie, zekerheid en methode) daar een rol in?

 

III. De evangeliŽn als bronnen omtrent Jezus

Het Christendom wordt wel een historische religie genoemd omdat ze zich baseert op de Openbaring van God in de geschiedenis van de mensen. Voor de christen concentreert het heilsgebeuren zich rond Jezus van Nazareth. De meeste mensen voelen dan ook wel aan dat het Christendom dus continuÔteit moet vertonen met datgene wat de historische Jezus van Nazareth uitdroeg.

Toch is hier voorzichtigheid gemaand. In het verleden zijn namelijk zowel orthodoxe als liberale theologen onder invloed van het historisme in de valkuil gestapt, de werkelijke Christus met de historische Jezus te identificeren. Het historisme is een modernistische stroming in de geschiedwetenschap, die gekenmerkt wordt door het geloof in de wetenschap, waarmee men alles ontwijfelbaar vast zou kunnen stellen. Dit vertrouwen in de wetenschap, vooral ingegeven door de ontwikkelingen in de natuurwetenschappen, heeft zich inmiddels echter als naÔef bewezen. Er blijven veel onzekerheden, en zelfs algemeen aanvaarde theoriŽn moeten worden bijgesteld, of zelfs totaal worden omgegooid.

Zelfs als we dit in het oog houden lijkt het evenwel onmogelijk dat het Christendom nog zou spreken en leven naar de geest van Jezus van Nazareth, als haar uitgangspunten en leerstukken geheel vervreemd en soms zelfs tegengesteld zouden zijn aan wat Jezus zelf dacht en leerde. Daarom is de vraag naar de historische Jezus, met alle moeilijkheden, onzekerheden en onvolledigheden die dit met zich meebrengt, voor het Christendom van levensbelang.

Een vraag die dus gesteld zou moeten worden, is in hoeverre de evangeliŽn een werkelijkheidsgetrouw beeld schetsen van Jezus, zoals hij historisch was. De orthodoxie zou graag een grote overeenstemming tussen de evangeliŽn en de historische Jezus van Nazareth zien. Om deze geloofspositie rationeel te kunnen funderen zijn er ideaaltypisch drie tactieken:

  1. Via de leer van de onfeilbaarheid van de Schrift. Aangezien elk woord van de bijbel waar is, is elk woord van de bijbel historisch werkelijk (waar gebeurd). En aangezien de evangeliŽn in de bijbel staan, moet elk woord wel historische werkelijkheid weerspiegelen. De relatie tussen de theologie van de eerste Gemeente en de historische Jezus is hier ťťn op ťťn. Overtuigend is deze tactiek echter alleen voor diegene die een modernistische waarheidsopvatting toegedaan is, ťn ook nog eens bereid, alle kleine feitelijke tegenstrijdigheden in de evangeliŽn weg te poetsen. Met de opkomst van het postmodernisme slinkt de aantrekkelijkheid van deze optie meer en meer.
  2. Via de gedachte dat de evangeliŽn vroeg opgetekend zijn. Hier zit de gedachte achter dat hoe eerder de evangeliŽn zijn opgetekend, hoe beter men zich zal hebben herinnerd hoe Jezus was, en wat er precies plaatsgevonden heeft. Dit is de tactiek van de meeste, veelal Engels/Amerikaanse evangelicale auteurs. Nadeel is wel dat men zich moet beroepen op een minderheidspositie in het wetenschappelijke debat rond de datering van de evangeliŽn. Een positie die bovendien verdacht is vanwege de agenda die er achter zit.
  3. Via de acceptatie van de status-quo binnen de Nieuw-Testamentische wetenschap accepteren, waarbij men strict historisch en exegetisch een continuÔteit in de overlevering tussen Jezusí eerste volgelingen en de evangeliŽn aantoont. Dit kan onder andere door het analyseren en vergelijken met de evangeliŽn van tekstmateriaal in de brieven van Paulus dat nog voor hem geschreven is. Als we veronderstellen dat Paulus' zo'n 20 jaar na Jezus' leven begon te schrijven, dan is dat bewuste tekstmateriaal een concentratie van gedachten over Jezus zoals zijn volgelingen die hadden tussen Jezus' vermeende opstanding in het jaar 30 of 33 en Paulus' eerste brief, waarschijnlijk van 52. Nieuw-Testamentici als Martin Hengel en Peter Stuhlmacher komen zo tot resultaten die uitermate vruchtbaar zijn voor de apologetiek

Vragen:

1) Hoe verhouden zich volgens u de verkondigde Christus en de historische Jezus in de evangeliŽn? Houd daarbij uw waarheidsdefinitie in het oog.

2) Welke punten in het leven en denken van Jezus zoals ze in de evangeliŽn voorkomen moeten volgens u kloppen met de historische Jezus? Waarom juist deze?

3) Welke tactiek lijkt u het meest vruchtbaar om de historische betrouwbaarheid van de evangeliŽn aan te tonen? Waarom?

 

IV. Opstanding

De apostel Paulus schrijft aan de gelovigen in de Griekse metropool Corinthe: "Als Christus niet is opgewekt, is uw geloof tevergeefs." (I Cor. 15:17). De opstanding is een centraal leerstuk van het Christelijk geloof. Ze is echter ook vanaf de moderniteit onder verdenking gekomen als theologen de leer over wonderen van de filosoof Spinoza overnemen. Spinoza ziet wonderen als iets onmogelijks, omdat ze ingaan tegen de Goddelijke orde. Christelijke theologen zullen dit in een christelijke variant overnemen; God zit dan gevangen in Zijn eigen raadsbesluiten.

De opstanding als natuurkundig gegeven is daarmee onmogelijk geworden. De overtuiging dat de opstanding in werkelijkheid niet heeft plaatsgevonden, gaf aanleiding voor veel mensen dit geloofsartikel maar helemaal te vergeten, wat de geloofwaardigheid van het christendom geen goed heeft gedaan. Verschillende tactieken om de Opstanding een plek in de christelijke levensbeschouwing te geven zijn in omloop.

  1. De existentialistische nieuw-testamenticus Rudolf Bultmann verklaarde de opstanding als een mythe. Het gaat niet om de historische feitelijkheid ervan, maar om wat de mythe ons vandaag te zeggen heeft. In zijn schaduw bevinden zich J.D. Crossan van het Jesus-seminar en Nico ter Linden.
  2. De beroemde dogmaticus Karl Barth noemde de opstanding een gegeven dat zich aan het oog van het historische onderzoek onttrekt omdat het uitging boven een strikt historisch gebeuren. De opstanding zou dan echt gebeurd kunnen zijn, maar wat het precies inhoudt, daar komen we niet achter. Tenslotte is de Opgestane Heer mťťr dan een opgewekt lichaam.
  3. Vanaf de jaren '70 komt een derde tendens op. Zo is de dogmaticus Wolfhart Pannenberg tot geloof gekomen door de bestudering van de geschiedenis. In zijn navolging komt William Lane Craig tot op strict historische gronden tot de conclusie dat de opstanding de meest plausibele verklaring voor de historische gegevens rond de begrafenis van Jezus vormt.
  4. Tenslotte is er nog de leer van de onfeilbaarheid van de Schrift die we reeds bij de bespreking van de betrouwbaarheid van de evangeliŽn vonden. Als de bijbel zegt dat iets waar is, dan is het historisch gebeurt.

Vraag:

  1. Welke tactiek om de opstanding intellectueel acceptabel en te maken spreekt uzelf het meeste aan. Waarom?
  2. Wat zou er - intellectueel - moeten gebeuren voordat u uw levensbeschouwing waardeloos zou vinden? Indien dit geen mogelijkheid voor u is; wat geeft u reden te denken dat u uzelf niet voor de gek houdt?

 

V. Verhouding tussen canon en credo

Na de evangeliŽn zou de apologeet nog aan moeten tonen dat Paulus en de overige brieven in de geest van Jezus werkten. Beknoptheid gebiedt ons er kort over te zijn. Het is deels een geloofskwestie. Maar laten we aannemen dat de Christus van de brieven overeenkomt met de levende Heer. Dat is op zich een respectabele wetenschappelijke positie aangezien veel brieven vermeend zijn eerder geschreven te zijn dan de evangeliŽn. Met dat apostolisch getuigenis zijn we er uiteraard nog niet. Men dient immers ook de relatie tussen de geloofsbelijdenissen van de Vroege Kerk en de Nieuwe Testament te bevragen.

Sinds 100 jaar zijn de kerkelijke belijdenissen in verdenking geraakt omdat ze vol zouden zitten met Grieks denken. Een standaardwerk als ĎGeschiedenis der Kerkí van Otto de Jong ademt deze denkwijze nog volop. Om het Christelijk geloof in traditioneel-historische zin rationeel te kunnen volhouden, zal men dus de Vroeg-Kerkelijke belijdenissen moeten legitimeren. Hiervoor zijn drie tactieken mogelijk:

  1. Ofwel, men leest het Nieuwe Testament volgens de bril van de belijdenis. Zo leest de nieuwtestamenticus Gordon Fee de Heilige Geest als aparte persoon van de DrieŽenheid in de brieven van Paulus. Verreweg de meeste orthodoxe leken en zelfs dominees hebben de neiging dit te doen, tot ergernis van theologen als Cees Den Heyer.
  2. Ofwel, men leest zoals de Leidse dogmaticus Van de Beek de belijdenissen existentieel. Wat is de bedoeling? Wat zat er achter? Wat staat er op het spel? Zo vermijdt men de dorre abstractheid die de belijdenissen vaak verweten wordt, en maakt men ze actueel en relevant. Anderzijds kan men Van de Beek vragen of hij niet te veel zijn eigen overwegingen in de belijdenissen terugleest, en vervolgens toch nog in de valkuil van a. stapt.
  3. Men onderzoekt de historische overbrugging van het geloof van joods naar Grieks denken, via hellenistisch-joodse speculaties, en betoge dat deze overbrugging - en het stellen van de vraag naar het wezen van Jezus - terecht was. Met andere woorden, men betoogt dat het benaderen van de vraag of Jezus mens of God was vanuit een metafysisch begrippenkader een legitieme stap was in de ontwikkeling van het denken van de Kerk.

Vragen:

  1. Ziet u verschil tussen het spreken van het Nieuwe Testament over Jezus en het spreken van de Vroeg-Kerkelijke belijdenis?
  2. Hoe zou u dit verschil overbrugd wensen te zien?
  3. Wat zegt de belijdenis u over Jezus?

 

VI. Jezus en andere Godsdiensten

We hebben met sprongen de reis uitgetekend van de historische Jezus naar de belijdenissen, van voorvragen over de waarheid naar de metafysische vragen van de Vroege Kerk. De antwoorden die men op dat traject geeft, zijn beslissend voor hoe men Jezus ziet.

De moslim bijvoorbeeld voor wie de Qurían de onfeilbare Openbaring is, zal de kruisiging van Jezus niet accepteren, en dus ook diens opstanding niet. Het ligt dan voor de hand dat Jezus slechts een profeet Ė zij het een belangrijke Ė is. Voor de esotericus is Jezus een middel tot het licht, een guru, een wegwijzer. Studies als die van de ĎJesus Seminarí verkennen de historische Jezus op mogelijkheden hem in dat licht te zien.

Om te weten wie Jezus is, moeten men zelf goed weten wat de eigen criteria zijn voor de bepaling van het antwoord op die vraag. Pas dan als men zelf een stand- en gezichtspunt heeft ingenomen kan men een vruchtbare dialoog aangaan met andere Godsdiensten, soms in wederzijdse herkenning, soms in opheldering, soms in corrigering. Men moeten echter eerlijk zijn; hoe sympathiek men zich ook opstelt, men kan geen vriend zijn met iedereen: Indien we ons  pluralistisch opstellen aangaande de waarheid zullen sommigen ons haten, en indien we ons exclusivistisch opstellen zullen anderen ons verachten. Een dialoog aangaande wat nu eigenlijk de waarheid is, kan daarom alleen vruchtbaar zijn als men integer met de vraag aan de slag gaat: Waarom denk ikzelf dat Jezus zo-en-zo is, en wat sluit dat over Hem uit?

Vragen:

  1. Bent u wel eens met iemand in gesprek geweest die een andere levensbeschouwing erop nahield, en daarom andere standpunten innam over concrete zaken? Voelde u zich - op een intellectueel vlak of anders - bedreigd? Waarom wel/waarom niet?
  2. Heeft het zin te proberen een andersdenkende te overtuigen van het eigen standpunt? Heeft het zin het eigen standpunt rationeel te verantwoorden?
  3. Bent u van mening dat Jezus de unieke openbaring van God is? Waarom wel/ waarom niet?

 

 

© Tjerk W. Muller, 24 juni, 2001


Enige literatuur over de evangeliŽn & de historische Jezus:

Craig Blomberg The Historical Reliability of the Gospels, Inter-Varsity press, Downers Grove, Ill. 1987

Paul Copan (ed.) Will the Real Jesus please stand up? A debate between William Lane Craig and John Dominic Crossan, Baker Books, Grand Rapids, Michigan, 1998

Randel Helms Gospel Fictions, Prometheus Books, Amherst N.Y., 1988

E.P. Sanders The Historical Figure of Jesus, Penguin Books, London - N.Y., 1993

Michael Wilkins and J.P. Moreland (eds.) Jesus under fire. Modern Scholarship reinvents the Historical Jesus, Zondervan Publishing House, Grand Rapids, Michigan, 1995.

 


 

Aantal bezoekers sinds 30 juni 2001:

 


UNIVERSI FINIS VERITAS!

 

Site Design: Copyright © 1998-2000 Stichting Europese Apologetiek
Pagina gemaakt op: 30 juni 2001
Pagina bijgewerkt op: