Rechtvaardiging als kern van de zaak

deel II

door 

J. M. M. Thurlings

 

Hoofdstuk 15

van het boek 

Het Conflict Rome-Reformatie als Historisch Misverstand, van J.M.M. Thurlings

 

 

Moeilijkheid

 

Navigatietips:

Algemene disclaimer: zie onderaan

 


© J. M. M. Thurlings, 2001.

Inhoud

Begin artikel

Het R.K. geloofsleven, speciaal met het oog op zondebesef
  • De verdienstelijkheid van de goede werken
  • De rechtvaardigheid
  • Hoe maakt de gerechtigheid van Christus ons loon waard?
  • Verdienstelijkheid
  • De verdienstelijkheid van de goede werken bij Calvijn

    Calvijns depreciatie van de term ´verdienste´

    Disposities

  • De onzichtbare Doop
  • Heiligheid. Het R.K. perspectief
  • Particularismen
  • Luther leert in feite niet anders
  •  

    Noten 


    Het R.K. geloofsleven, speciaal met het oog op zondebesef

    C.I. 3.2.41 stemt Calvijn in met Bernhard van Clairvaux 'dat gij het eeuwig leven door geen werken verdienen kunt, tenzij het om niet gegeven wordt.' Hierbij zullen wij beneden uitvoerig stilstaan.
    C.I. 3.2.33 spreekt Calvijn over de trapsgewijze vermeerdering van het geloof. Voor de R.K. is dit overeenkomend met de trapsgewijze vermeerdering van het geloofsleven, in de Jacobus-traditie van 'zonder de werken is het geloof dood.' Het geloofsleven werd op een gegeven moment een geïnstitutionaliseerde vanzelfsprekendheid, waardoor men op zijn werken ging vertrouwen en zichzelf verdienste toeschrijven. Men dacht, dat men uit zichzelf het goede wilde. De term 'staat van genade' werpt echter een duidelijk licht op de onverdiendheid van de rechtvaardiging, maar blijft bij Barth verdacht van een slechte 'analogia entis', restant van het 'j'accuse' tegen het zojuist beschrevene, 'zekerheid' i.p.v. 'verzekerdheid'. Geen term is echter tegen de verdenking opgewassen, omdat deze altijd wordt gebezigd tegen de achtergrond van een bepaalde praktijk of attitude. De beste weergave van de R.K. kernattitude vinden we in de dagelijkse gebeden en in de Mis:
    'Bid voor ons, zondaars, nu en in het uur van onze dood' (in het 'wees gegroet', voor het aanroepen van heiligen, zie naderhand). 'Ik belijd, dat ik zeer gezondigd heb, door mijn schuld, door mijn schuld, door mijn zeer grote schuld', 'Heer, ontferm u', 'dat wij, Heer, in geest van ootmoed en met een berouwvol hart door U worden aangenomen'. Uit psalm 25: 'Maar ik wandel in onschuld, red mij en wees mij genadig.' 'Heer, ik ben niet waardig, dat Gij tot mij komt, maar spreek slechts een woord, en ik zal gezond worden.' 'Onttrek ons aan de eeuwige verwerping, en tel ons bij de kudde van Uw uitverkorenen'. 'Wil erfdeel en gemeenschap schenken met Uw heilige apostelen en martelaren...in hun gezelschap, vragen wij, laat ons toe, niet naar schatting van wat wij verdienen, maar door de weldaad van Uw vergeving.' Dit zijn allemaal voorbeelden uit het tridentijnse 'Missale Romanum'. Ook al is deze mis nu gedeeltelijk veranderd, toch is zij zeer representatief voor R.K. vroomheid, en het is nog wel de Misvorm van de Contrareformatie. Maar zelfs Karel V schreef eens, dat wij niet door onze eigen verdiensten gered worden, maar louter door Gods genade in Christus.
    Slot: Zo we naar verdienste van de mens zoeken, vinden we slechts redenen, op grond waarvan God, die Zich nu over ons ontfermt, het recht had ons te verwerpen. Zijn onze zonden dan zo erg? Alle zonde vloekt met Gods pure, heilige Wezen, dat zulke wanklanken niet kent. Een wezen dat anders is, is als zodanig met het Zijne onverzoenlijk en alleen dankzij het als mens boeten van Zijn Alter Ego, dat als van Hem uitgegaan één in wezen is met Hem, Christus, te dulden en zo de mens zich hierop aansluit vergefelijk. Wij zijn geneigd onze zonde te meten naar menselijke maat, God meet echter met een absolute maat. Is God daardoor onze vijand?
    God is onze vijand, als wij ons niet bekeren. Gods oordeel is echter waar, daarom hebben wij ons tot Hem te bekeren, die dan in het geheel onze vijand niet is, maar die als God de Zoon is mens geworden, ons lijden en alle zonden, waarvan we ons bekeren, op Zich heeft genomen, omdat God, gelijk de Zoon dat aan den lijve heeft gedemonstreerd, ons, Zijn kinderen, zeer goedgunstig gezind is. Hiervoor zijn wij terecht dank verschuldigd en het is zeker reden waarom wij in Gods Kerk met alles waarmee Hij met ons gemeenschap wil onderhouden, gemeenschap hebben te onderhouden. Zijn Woord en Sacrament mogen door niemand verwaarloosd worden. Wie God en het goddelijke opzettelijk of uit onverschilligheid verwaarloost, denkt die, dat Gods Liefde dit wel goed zal maken?
    God is wel Goed, maar niet gek. Wij behoeven ons later niet wijs te maken, en onder allerlei smoezen zeggen, dat 'wir dies nicht gewußt haben'. Een gewaarschuwd mens telt voor twee. Ik, de schrijver ben het niet, die dit zegt, maar Hij, die door de Schrift zegt: 'De hele dag strekte ik Mijn handen uit naar een ongelovig volk.' Nu nog spelevaart men op de zonnige rivier, maar de waterval verderop lijken maar weinigen te zien. Stuur bij vóór het te laat is: 'En daar zal geween zijn en geknars van tanden.' Wie zich niet voor God, de Oernatuur als Persoon, onze Schepper en de oordelende Waarheid-Zelf interesseert, mag die verwachten, dat God dit omgekeerd wel doet? Of zegt men: we zullen wel zien? Maar God deelt ons Zelve in Zijn Woord mee, dat onze redding ervan afhangt of we Hem geloven, wanneer Hij voor ons geloofwaardig optreedt, waarbij het niet-gemakkelijke hiervan juist een beproeving is van onze gezindheid. En in deze kennisname van Hem blijkt Hij eisen te stellen aan de wijze waarop wij leven. Wij hebben aan Zijn heiligheid te beantwoorden. Hij is immers het Leven, en het leven, dat wij het leven noemen is ons meegedeeld vanuit het Zijne. Maar gratis profiteren zonder boetvaardigheid en bekering van onze zelfzucht is er bij Hem niet bij.

    De verdienstelijkheid van de goede werken

    Schrijft nu de katholiek de mens geen menselijke eigenschappen als gerechtigheid en voortreffelijkheid toe? Wordt bv. paus Johannes XXIII niet teveel als 'de goede' i.p.v. van als begenadigde zondaar gezien? Mogen mensen elkaar zo de hemel in prijzen? De Rooms-Katholieken kenden een uitgebreide persoons- en groepsverheerlijking, met name van de paus en van de Kerk. Dit byzantinisme en deze eigenroem, die uiteraard verwerpelijk zijn en die nogal wat te maken hebben met een 'humanistisch' roemen buiten Gods ontferming, spelen, meen ik, in het geval van Johannes XXIII niet, hoogstens een zekere kinderlijke aanhankelijkheid. Ook Handelingen spreekt 11:24 over Barnabas als over 'een goed mens' en Lukas 23:50 noemt Jozef van Arimathea 'een goed en rechtvaardig man'. Dit stemt overeen met de leer, dat de mensen in wie God welbehagen heeft, in Gods ogen goede mensen zijn, al zijn ook zij zondaars. Zij zijn en worden door Hemzelf tot goeden gemaakt. Omdat het om zondaars gaat kan dit ook niet anders. Zij worden bekleed met de gerechtigheid van Gods Evenbeeld, Christus. Dit voert ons tot de verdienstelijkheid van de goede werken. Wij pakken de draad weer op bij de rechtvaardiging van de mens.

    De rechtvaardigheid

    Is een gerechtvaardigde zelf rechtvaardig, of pronkt hij slechts met andermans, Christus', veren? Hij heeft zichzelf niet zo gemaakt, toch is hij het zelf, die rechtvaardig is. Hij maakt, ontvangende, het gegeven wordende tot het zijne. Dit vrijwillige toeëigenen als daad is zelf een gegeven worden. Het gegeven worden gaat als moment vooraf. Het is niet zijn eigen verdienste, dat hij zo is. Hij wordt rechtvaardig gemaakt en dit blijkt ook uit zijn rechtschapenheid. God vindt in zijn rechtvaardigheid een welbehagen (Chris. Inst. vert. Sizoo: 'Dat rechtvaardigheid Gods betekent de rechtvaardigheid die Gode behaagt, moest bekend zijn aan mensen die nog lezen en schrijven leren.'), de grond waarvan, de gerechtigheid van Christus, Hij Zelf rechtvaardigende in hem gelegd heeft. In Gods ogen oogst hij zo waardering. En wat voor God, de Waarheid, zo is, is hiermee zo. In Gods ogen is de gerechtvaardigde goed, niet alleen niet-slecht. God waardeert in de gerechtigheid van de gerechtvaardigde zondaar immers de gerechtigheid van Zijn zeer geliefde Zoon, die Gods Eigen gerechtigheid is, maar in Zijn Zoon meegedeeld aan daartoe gerechtvaardigde, zondige mensen. Wat God hier zaait, oogst waardering bij God. Wel is de betreffende persoon als gerechtvaardigde zelf waardeerlijk, maar niet uit zichzelf.
    De gerechtigheid is geen menselijke toevoeging van iets wat als menselijk al enigszins goed is. Het goede aan de zedelijke norm waaraan wij moeten voldoen is, als eerder gezegd, alleen in abstracto goed, maar is pas concreet goed, Godwelgevallig, als het voortvloeiende uit de gerechtigheid van de rechtvaardiging in Christus teruggevonden wordt.
    De gelovige wordt in Christus vrijgesproken. Dit wil niet zeggen, dat de mens van een zedelijk verwerpelijke een zedelijk neutrale persoon wordt, want een zedelijk neutrale persoon bestaat niet. Hij staat altijd in een verhouding tot Gods rechtvaardigheid. Maar vrijspraak is negatief en daardoor wordt er iets verzwegen. Nl. dat door de vrijspraak de gelovige met Christus' rechtvaardigheid wordt bekleed. Zonder deze zou men ontberen wat de Vader liefheeft aan Zijn veelgeliefde Zoon, waarin de Zoon ons incorporeert: deze familiebetrekking in de rechtvaardigheid van Christus, die de rechtvaardigheid Gods is, met de Vader, de Zoon en de Heilige Geest in Wier naam, de Naam van de Ene God, wij gedoopt worden en waardoor wij leden worden van het Koninkrijk Gods en erfgenamen van het Koninkrijk der Hemelen. De Vader zou geen mystieke betrekking onderhouden, die ons erfgenamen maakt van het Koninkrijk. We zouden zonder Christus' gerechtigheid door alleen het geloof de kracht niet hebben vanuit zijn genade te leven en verhard zijn.

    Hoe maakt de gerechtigheid van Christus ons loon waard?

    Christus verdient voor ons, transponeert niet Zijn eigen verdienende gerechtigheid in ons, maar geeft ons deel aan Zijn gerechtigheid, deelt ons niet Zijn eigenste gerechtigheid mede, maar geeft ons van Zijn gerechtigheid onze gerechtigheid. Dit deelgeven is een mystisch gebeuren, dat Hij persoonlijk, door de Geest van God, die ook Zijn Geest is, gedurig in ons bewerkstelligt. Nu kan men hierom alvast zeggen, dat Hij aldus de in ons mystisch voor ons verdienende is. Niet wij verdienen, maar Hij verdient door Zijn rechtvaardigheid onze rechtvaardiging. Als God ons rechtvaardigheid toekent,  in Hem kent Hij ons deze toe, en idem dito loon ervoor. Hij is het mystisch subject van rechtvaardigheid in ons. Christus is het mystisch subject van onze rechtvaardigheid. Hij doordrenkt ons met Zijn gerechtigheid, die zo onze gerechtigheid is, ons deze vanuit Zijn gerechtigheid gedurig meedelend. Wanneer Hij lijdend en stervend verdient, dan is dit, terwijl Hij ons lijden heeft op Zich genomen, en dit zó, dat wij, zeker ook wanneer wij zelf lijden (en sterven, afsterven aan onze zonden en werkelijk sterven) ontvangend deelhebben aan Zijn lijden en sterven. Zodat ook de verdienste die Hij heeft, nl. het verdiende, dat Hij verwerft direct het onze wordt. Via het feit, dat Hij ons inwoont, door mystiek Zich presentstellen, doordesemt Hij ons met Zijn gerechtigheid, zonder dat ook maar Zijn wezen het onze zou kunnen worden: het Hoofd is niet met de leden verwisselbaar. Wij worden niet tweede Christussen, want Hij is ondeelbaar. Zo is er mystisch-directe mededeling. Dit wezenlijk verschillend van 'direct' (als aan ons buiten Hem) - aan ons medegedeeld. Zo verdienen wij niet gelijk Christus onze rechtvaardiging, maar Christus verdient en het verdiende wordt zo mystisch-direkt ons deel. Daarmee zijn wij het niet die verdienstelijk zijn en verdienen, maar door het doordrenken zijn en worden wij gereinigd, geheiligd door wat Christus van Zichzelf meedeelt en kàn meedelen, nl. wat Hij ons inwendig-mystisch opererend  geeft. En dit is een tot eigen gedurig verkregen wordende kwaliteit, die Gods liefde en waardering heeft.

    Verdienstelijkheid

    God schept en beloont de goede werken uit liefde. God hoeft de gevallen mens niet te belonen, hoe hard deze zich ook uitslooft en hoe berouwvol hij ook moge zijn.
    Nu zijn de werken van de wedergeboorte in de Reformatie en te Trente reeds de vruchten van de rechtvaardiging, waarbuiten de ziel dood is. Luther spitst zich toe op de situatie, dat de mens die goede werken doet op deze werken als eigen werken gaat vertrouwen. God moet immers zijn zonden blijven vergeven. Luther noemt zulke goede werken zelfs 'doodzonden'. Maar Luther bedoelt natuurlijk, dat de mens die zich op deze werken beroemt, als waren het zijn eigen werken, werken op eigen kracht, de rechtvaardiging vergetend of de verlossing reducerend tot vanzelfsprekend historisch feit, ten nadele van het karakter van verrassend geschenk om niet ervan, ijdel roemt. Want nu is hij iemand die en goede werken doet en zondigt en waar is de vergeving? Zonder de vergeving vormt ook de kleinste zonde een onoverbrugbare kloof met het goddelijk licht. En kan degene, die van de vergeving niet wil weten, beweren, dat ze hem geldt? Zonder vergeving staat de mens nog in de volle erfzondeschuld . Bezien de zaak vanuit het tridentijnse systeem en de Christelijke Institutie, dan is het proces der rechtvaardiging en der wedergeboorte, naar de mate van deze eigenroem stopgezet. Behalve, dat er sprake is van grote zonde, is er feitelijk ook sprake van ongeloof en zelfafsnijding van de Heilige Geest. Om dit te voorkomen is het feit, dat de Reformatie kwam en door de Reformatie ook de Contra-Reformatie, een manifestatie van Gods verbondstrouw. In zo'n toestand van grote zonde of ongeloof menen een doodzonde te kunnen delgen met een goed werk noemde Luther om deze reden een dubbele doodzonde.

    God vergeeft en beloont, omdat Hij ons zo liefheeft, dat Hij in Zijn Evenbeeld, Zijn Zoon, ervoor geleden heeft en gestorven is. Op een andere manier Heiland zijn is onmogelijk.
    De gerechtvaardigde is zelf te prijzen, omdat God hem/haar zelf rechtvaardig doet zijn. God hóéft dit niet te verlenen. Dit wat door Eigen gedurig toedoen Gods waardering oogst, is hiermee waardeerlijk, want het is in waarheid - immers, God ìs de Waarheid - waardeerlijk.
    Calvijn ontkent, dat werken als zodanig in Gods ogen enige kwaliteit behoeven te hebben, want de mens besmet ze door zijn zonde. C.I.3.15.3: 'Voorzover de werken uit God zijn, zijn ze goed, maar de mens verontreinigt en besmet ze door zijn onreinheid.´

    'Zonder hun eigenlijke waarde te schatten, verheft Hij de werken door Zijn vaderlijke goedgunstigheid tot zo hoge eer, dat Hij ze van enige waarde acht' (C.I.3.17.3). Hun 'eigenlijke' waarde is die zij als hoe zij als zodanig, als zijnde de werken van zondaren, besmet zijn, hebben, maar onder vergeving van wat besmet worden zij om Christus geaccepteerd en gewaardeerd. Dat 'eigenlijke' is dan dus wel buiten kracht.
    De acceptatie geeft Calvijn C.I.3.14.12 als volgt weer: 'Maar de genade, die wij de aannemende genade noemen, is niets anders, dan de onverdiende goedheid Gods, waardoor de Vader ons in Christus omhelst. Hij bekleedt ons met de onschuld van Christus en rekent ons die toe, zodat Hij door deze weldaad ons voor heiligen, reinen en schuldelozen houdt.' En C.I.3.15.8: 'Wij zeggen, dat allen die uit God zijn, wedergeboren en tot een nieuw schepsel worden, overgaande uit het rijk der zonde tot het rijk der gerechtigheid... Trente zegt DS 1524: 'translatio ab eo statu, in quo homo nascitur filius primi Adae, in statum gratiae et "adoptionis filiorum" (Rom 8, 15), 'de overbrenging uit die staat, waarin de mens geboren wordt als zoon van de eerste Adam, naar de staat van genade en "adoptie als kinderen" (Rom. 8, 15). (Dit zegt Trente over de rechtvaardiging, gezien 'adoptionis', die zich niet kan realiseren zonder wedergeboorte).

    Calvijn vervolgt: '...Door dit getuigenis moeten wij onze roeping vastmaken om, gelijk de bomen, uit de vrucht beoordeeld te worden.' Trente zegt over deze verhouding van werken tot het zijn van een nieuw schepsel en de gezindheid hiervan: 'Christus Zelf, als 'het hoofd in de ledematen' (Ef. 4,15) en als 'de wijnstok in de ranken' (Joh. 15,5) stort de gerechtvaardigden zelf gedurig deugd in, welke hun goede werken altijd voorafgaat, begeleidt en volgt, en zonder welke ze onder geen beding God aangenaam en verdienstelijk kunnen zijn' (DS 1546). Te Trente zijn werken en deugd verdienstelijk in afgeleide zin, want reeds de door het geloof verleende gerechtigheid-als-zodanig (DS 1545) is het waarvoor de beloning der werken, de 'kroon der gerechtigheid' wordt gegeven. Ook Calvijn haalt C.I.3.18.5 deze term uit 2Tim.4:8 aan en voor hem is deze verhouding niet anders: 'Hoe zou God aan onze werken rechtvaardigheid toeschrijven...?' (t.z.p.) Trente zegt 'zonder de deugd niet', omdat een gerechtigheid waarbij de goede gezindheid ontbreekt en de werken uitblijven een doodgeboren kind is.
    Calvijn en Trente leren in feite dus hetzelfde, al is dit hier nog niet duidelijk wat betreft de term 'verdienstelijk'. Sterk is in deze passage echter de parallelie tussen 'aangenaam' en 'verdienstelijk'. Het gaat Trente dus in ieder geval niet om een voortreffelijkheid uit zichzelf van de mens, maar om een 'in Gods ogen', dat als zodanig een (gecreëerd) zijn is en in feite is 'Gode aangenaam' en 'verdienstelijk' bedoeld als synoniem. Küng citeert pg. 199 Thomas, waarvan de kern vertaald luidt: 'Uit goddelijke liefde wordt veroorzaakt wat in de mens Gode aangenaam is.'n4

    De gerechtvaardigde ontvangt van God uit liefde een innerlijke voortreffelijkheid, waardeerlijkheid, die als zodanig voorwerp is van Gods liefde en goedgunstigheid, waaruit Hij hem ook gaarne wil belonen. Uit zichzelf verdient de gerechtvaardigd wordende mens echter zijn rechtvaardiging en wat daaruit volgt helemaal niet. 'Niets wat aan de rechtvaardiging voorafgaat...verdient deze.' (DS1532)
    Uit de tekst blijkt ook, dat het in de werken de aan de mens verleende gerechtigheid van Christus is, die verdienstelijk is. Waarom dan gesproken van 'verdienste' en 'verdienstelijkheid' van goede werken? Werken zijn zo alleen verdienstelijk in wat in hen gerechtigheid is. Dit is geen gerechtigheid van werken, maar omgekeerd: werken zijn uit de gerechtigheid door het geloof. Als voortkomend daaruit ervan onderscheiden, maar als één ermee niet. De richting is, dat zij uit de bron 'gerechtigheid' wellen en niet omgekeerd. Een goede boom brengt goede vruchten voort. Trente is wat dit betreft dus in overeenstemming met Calvijn C.I.3.14.13: 'Slechts inzoverre een mens met de gerechtigheid van Christus bedekt is, kan hij God behagen en vergiffenis van zijn zonden krijgen. God heeft niet aan zekere werken het loon van het eeuwige leven beloofd.'

    Trente spreekt DS 1531 van dat de door de Doop terstond wedergeborenen (conform Calvijn over de Doop) bevolen wordt de hun gegeven stool sneeuwwit en onbevlekt te bewaren, opdat ze deze brengen voor het oordeel van onze Heer Jezus Christus en het eeuwig leven hebben'. Geen goed werk dus, dat hier iets aan toe zou voegen. Ook niet als er na terugval recuperatie plaatsvindt. DS 1545 citeert: 'God is niet onrechtvaardig, dat Hij uw werken en liefde vergeet, welke gij betoont in Zijn naam' (Hebr. 6, 10) en 'wilt niet uw vertrouwen verliezen, dat een grote beloning zal erlangen' (Hebr. 10,35). Met dit laatste wordt 'des Glaubens Lohn'n5 bedoeld, dus dat van de gerechtigheid door het geloof. Even later zegt de passus dan ook, na verder uitgeweid te hebben over loon voor werken: 'Dit (loon) is immers de kroon der gerechtigheid', naar 2Tim. 4,7vv. Omdat de gerechtigheid juist niet die van de werken was, maar in het hele decreet van de tot het door wedergeboorte zijn van een goede boom gerechtvaardigde, omgekeerd, die goede vruchten voortbrengt, bewijst deze passage, dat de in de eropvolgende passage die wij boven citeerden ingegoten deugd als substantie der werken, aan de basis van het opwellen één is met de de gerechtigheid waarvoor de kroon is weggelegd. Het loon der werken is in wezen het loon der gerechtigheid van de om niet in Christus gerechtvaardigde. De verdienstelijkheid der goede werken betekent dus: de welgevalligheid die God in Christus, Zijn veelgeliefde Zoon, heeft aan de geheel om niet gerechtvaardigde, die zijn rechtvaardiging beslist niet verdient. Op dit 'beslist niet verdient' kom ik beneden terug. Eerst volgt er een analyse van de clausulerende reductie tot ontkenning, of tot een verborgen kiem, van het begrip 'verdienste' door Calvijn.

    De verdienstelijkheid der goede werken bij Calvijn

    Calvijn over het roemen in de verdienstelijkheid

    Het hoofdstuk van Christelijke Institutie 3.15 dat de titel draagt: ´Dat het roemen in de verdienstelijkheid der goede werken, zowel de lof Gods in het schenken der gerechtigheid, als de zekerheid der zaligheid te niet doet´, vormt onderdeel van zijn vertoog over de rechtvaardiging. Reeds heeft Calvijn uitvoerig vastgesteld, dat ofschoon het uit genade doen van goede werken, bekering, boetvaardigheid, zelfheiliging, zeer nodig is ´als voorwaarde om het Koninkrijk Gods te ontvangen´ (C.I.2.3.1), dit voor geen nanometer voldoende is om de mens te rechtvaardigen. Aan het begin vat Calvijn het tot dusver uiteengezette als volgt samen: C.I.3.15.1: ´Het voornaamste in deze zaak hebben wij nu uitgelegd, namelijk dat de mens alleen door de barmhartigheid Gods, alleen door de gemeenschap met Christus en daarom alleen door het geloof en niet door de werken gerechtvaardigd wordt. Nu moeten wij nog de vraag behandelen of de werken, al zijn ze niet genoegzaam om de mens te rechtvaardigen, nochtans bij God gunst en genade verdienen.´ Calvijn vangt nu aan met te zeggen (C.I.3.15.2): 'Voorwaar, degene, die het eerst aan de werken der mensen in hun verhouding tot het oordeel Gods, de naam van verdienste gaf, heeft aan de gaafheid van het geloof zeer grote schade berokkend. De oude schrijvers hebben dit woord wel dikwijls gebruikt, maar och, hadden zij door het misbruik van één woordje, dat vreemd is aan de Schrift, aan de nakomelingen niet zoveel stof tot dwaling gegeven!'

    Interpretatie

    Wat staat hier precies? De Reformator spreekt hier over het misbruik van het woord ´verdienste´. Hij zegt hierover twee dingen: Het eerste is: de ouden hebben het woordje gebruikt, maar door het misbruik van een woordje, dat vreemd is aan de Schrift, aanleiding gegegeven tot dwaling. Het tweede: de nakomelingen geraakten erdoor in dwaling. Ergo: zelf waren zij hier nog niet mee in dwaling.
    Nu leert Calvijn 1.13.3 omtrent een ander begrip, het begrip 'Drieëenheid': 'Maar al wordt het woord, dat wij gebruiken niet letterlijk in de Schrift gevonden, zo behoeft het daarom geenszins verworpen te worden, anderszins zouden alle predikatiën en uitleggingen der Schrift onmogelijk zijn. Door noodzakelijkheid is de Kerk gedwongen het woord Drievuldigheid of Drieëenheid te gebruiken.' Hij zegt dus zelf, dat gebruik van een term wel eens noodzakelijk zou kunnen zijn, ook al komt hij niet in de Schrift voor. Het is daarmee nog geen misbruik.

    Gevolgtrekking

    Uit de aanvang van Calvijns behandeling van het onderwerp ´de verdienstelijkheid der goede werken´ valt dus de volgende conclusie reeds te trekken:
    Het misbruik van de term 'verdienste' is niet gelegen in het feit, dat het woord direct een afdwaling van de Schrift zou betekenen, maar het diminutief wijst er meer op, dat het woord volgens Calvijn ongelukkig is t.o.v. de Schrift, waarin het ook niet voorkomt. De dwaling van de nakomelingen wordt door de ongelukkigheid ervan bevorderd. De dwaling ontstaat niettemin pas, wanneer het woord niet gebruikt wordt op een wijze die overeenstemt met de Schrift.
    De termen 'verdienste' en 'verdienstelijkheid' zijn inderdaad dubbelzinnig, omdat ze gemakkelijk kunnen worden misbruikt om eigengerechtigheid uit te drukken.

    Analyse van Calvijns filippica tegen de verdienstelijkheid

    Calvijn gaat nu verder: Het misbruik van de term 'verdienste', de eigengerechtigheid, roept als antwoord op het alternatieve 'loon om niet' te accentueren, en daarmee een reductie tot loon als stimulans, C.I.3.15.3: 'Wat onze werken verdienen toont de Schrift duidelijk, als zij loochent, dat ze het aangezicht Gods verdragen kunnen, omdat ze vol onreinheid zijn. En bovendien, wat zouden wij verdienen, al volbrachten wij de ganse Wet? Wij zijn ook dan nog slechts onnutte slaven. Nochtans noemt de Here de goede werken, die Hij ons gegeven heeft onze werken, en Hij betuigt niet alleen, dat ze Hem aangenaam zijn, maar ook, dat Hij ze belonen wil. Maar dit doet Hij om ons door die grote beloften aan te moedigen, opdat wij niet vertragen in goed te doen en zo de grote mildheid van God met ware dankbaarheid zouden vergelden.
    Voorzover de werken uit God zijn, zijn ze goed, maar de mens besmet en verontreinigt ze met zijn onreinheid. Dat zij nochtans God behagen en niet vruchteloos zijn voor de mens, maar door de grote weldadigheid Gods beloond worden, heeft zijn oorzaak hierin, dat Gods goedertierenheid vrijwillig deze prijs verordend heeft.
    Uit Ecclesiasticus (16:14) halen de Sofisten het woord aan: "De barmhartigheid zal voor een ieder plaats maken naar de verdienste zijner werken." Maar dat het boek apocrief is, verzwijgen zij en de Griekse tekst zegt: "Hij zal voor alle barmhartigheid plaatsmaken en ieder zal vinden naar zijne werken." '

    Vraag

    Nu vraag ik met het oog op ons doel, de vergelijking met Trente: Legt God slechts voor het gedane in ruil steeds bij met een oogmerk, dat met vergelding niets te maken heeft? God spoort ons aan, omdat Hij al voor ogen ziet, waar Hij ons, in Christus, hebben wil: Groot zal uw loon zijn! Dat is God zoveel waard, dat Hij het loon daarvoor nu reeds ter aansporing in het vooruitzicht stelt. Zelfs is het zo, dat hij èn werken schept, opdat wij daarin wandelen zullen èn hun loon. Wensend vuurt Hij ons aan: om het door Hem gewenste, dat Hij ons geeft, vanuit hetzelfde motief achteraf met Zijn liefdebewijzen te overladen. Hij heeft besloten door Zijn Zoon velen hiertoe te redden, ze aansporende. Ook Trente leert tegen andermans al te krasse aanmerkingen op de werkheiligheid, neerkomende op dat men spontaan zou moeten werken, nooit voor loon, dat het loon als stimulans een goede zaak is (canon 31). Dus dat onbaatzuchtigheid om hemels loon, die Jezus leert, geen tegenstrijdigheid is.n6

    Wat Calvijn feitelijk zegt

    Wij concluderen: Wat Calvijn met zoveel woorden zegt is, dat wij als onwaardigen slechts door Gods vrijwilligheid om niet beloond worden. Om genoemde reden, naar wij dadelijk zullen zien. Maar, al blijven wij onnutte dienstknechten die nog maar het minimaal verschuldigde doen, het komt erop neer, dat God de werken die vrucht van de rechtvaardiging zijn liefheeft. Dus: Wat ten opzichte van ons niet-verdienen slechts aansporingsloon is, is impliciet werkelijk loon: voor wat God in ons, omdat het uit Christus is, waardeert en gaarne wil belonen, niet meer als aansporingspremie. Niet alleen haat Hij het kwade, Hij houdt ook van het goede. Met aansporen wil Hij, dat de mens doet wat Hij wenst en liefheeft. Wanneer men aan Zijn wens gevolg geeft, betaalt God uit, en van Zijn wens is over: het behagen aan het gewenste en volbrachte. Nu beloont God in 'welbehagen-aan' het werk. Niet slechts omdat aan de voorwaarde die het werken is voldaan is? Ongeveer zoals een vader die zijn dochter onder de pannen heeft? Of ook: Uit welbehagen aan het werk, oftewel: behagen in het werk?
    Wel, 3.15.3.: 'Dat zij nochtans God behagen en niet vruchteloos zijn voor de mens, maar door de grote weldadigheid Gods beloond worden, heeft zijn oorzaak hierin, dat Gods goedertierenheid vrijwillig deze prijs verordend heeft'. Zeggen: 'niet vruchteloos zijn' is op negatieve wijze uitdrukken, dat hun beloning hun vrucht is. Ze behagen God. Het ging om een prijs die God erop gesteld heeft en een opprijsstelling. Vrucht is meer dan contract- of premieloon, vrucht is iets voortkomends. Het behagen produceert dit gevolg.
    Gaat het inderdaad ook om een prijs uit opprijsstelling? Wij horen in het citaat een unisono, dat 'niet vruchteloos zijn' laat opwellen uit 'dat zij... God behagen'. Het 'maar' gaat als tegenstellend op het eerste gezicht alleen door op het voorafgaande 'niet', het vormt met 'zij... behagen' immers geen tegenstelling, maar trekt door wat het inhoudt als we even van het tegenstellende afdenken, en dit zou dan 'en' luiden. Dus, gereconstrueerd: 'Dat zij nochtans God behagen, vrucht dragen en door de grote weldadigheid Gods beloond worden, wat zijn oorzaak hierin vindt etc...', toont aan de zich ontspannen opstellende hoorder, dat een ding driemaal gevarieerd wordt, en dat God dus vrijwillig beloont uit opprijsstelling. Anders neemt men vrucht niet in eigenlijke zin. 'Deze werken zijn niet vruchteloos' betekent´: ze oogsten bij God een schat, loon, zij het op basis van Gods vrijwilligheid, Zijn goedertierenheid jegens zondaars en niet, dat de rechtvaardigde dit uit zichzelf verdient. Want God had het al lief vóór deze het werk uitvoerde. Maar omdat Hij zowel bij het aansporen als bij het uitbetalen erin liefheeft de rechtvaardigheid van Zijn veelgeliefde Zoon, die aan de gerechtvaardigde wordt gecommuniceerd, waaraan deze al werkende beantwoordt. De mens, die als zondaar niet verdient, ontvangt om wat God uit liefde voor het werk van Zijn Zoon in ons liefheeft, dat gedurig het onze wordt dit loon. God schept vrijwillig behagen in wat door dit creatieve behagen scheppen 'stof' van en tot behagen is. De werken van de gerechtvaardigde behagen God, de Waarheid, hiermee in Waarheid.
    Calvijn zegt dat, al zijn de werken van de mensen, ook de gerechtvaardigden, vol ongerechtigheid en de werken van zondaars, anderszijds de goede werken van de gerechtvaardigde Gods gaven zijn die Hem aangenaam zijn (3.15.3).

    Verhouding ´zondaar´ tot ´rechtvaardige´

    De onderlinge verhouding tussen deze twee waarheden wordt door Calvijn op een aantal andere plaatsen als volgt uitgedrukt: 3.17.7: 'Zeker, de werken maken rechtvaardig, wanneer zij volkomen zijn. Dat ze echter niet zo zijn, staat vast. De mens is in alle geboden overtreder en verkrijgt dus de rechtvaardigheid niet uit een werk, dat altijd in zeker opzicht gebrekkig is´ en 3.18.5: 'Hoe zou God aan onze werken rechtvaardigheid toeschrijven, indien Hij niet de ongerechtigheid, die daarin is door Zijn goedertierenheid en vergeving verborg?' En: Het gaat niet om slechts-toeschrijven, maar om werkelijk toekennen: 3.14.13: 'Want slechts inzoverre een mens met de gerechtigheid van Christus bedekt is, kan hij God behagen...'. Het gaat echter ook niet om een slechts bedekken: 'Hoe zou Hij Zijn kinderen loon waardig achten, indien Hij niet in hen datgene wat strafwaardig was door Zijn onmetelijke goedheid had uitgewist'(3.18.5).

    Verband met rechtvaardiging

    1) Uit dit 'was' blijkt dat, hoewel Calvijn wel zegt, dat de rechtvaardigheid buiten de mens te zoeken is, nl. niet uit hemzelf is, deze toch niet slechts-forensisch is, in de zin, dat de vrijspraak hem niet zou veranderen. Beide confessies spreken van rechtvaardiging, zó dat de gerechtvaardigde vrij voor Gods of Christus' rechterstoel kan verschijnen, en wel in die zin, dat de vrijspraak meteen een wegdoen van het oude en (reeds) vernieuwing tot Gods beeld met zich meebrengt. Trente zegt hetzelfde o.a door over de Doop te leren: DS 1514: '... tot vergeving van de zonden worden zij waarlijk gedoopt, opdat in hen door wedergeboorte gezuiverd wordt, wat ze bij geboorte opliepen.'n7
    2) Wat de kinderen hier waardig waren is straf, wat de kinderen waardig geacht worden is loon. . D.w.z. de kostbare schat, het loon, wordt niet aan de eerste de beste gegeven, maar aan de gereinigde kinderen, aan wie God Zich verwaardigt deze schat van Hem mede te delen. God heeft een geweldig behagen aan Christus' verdienste, die Hij om niet aan hen, die als vanuit henzelf onwaardigen zijn, na hun vrijspreking, toekent. Ze waren het niet waard, en zijn het dus als uit zichzelf nog niet.
    Is dus hun onverdienendheid in het niets verdwenen?
    De mens laat zien dat hij zondaar is. Ook al is hij aangenomen, hij verdient deze aanname niet, wat hetzelfde is als: al verdient hij de aanname niet, hij is aangenomen en God waardeert wat hij daardoor waard is.

    Godwelgevalligheid

    God geeft aan de mens werken die Hem behagen en die Hij als de werken van die ze onwaardig is desondanks, dus om niet, beloont. God heeft welbehagen aan deze werken van de mens, omdat Hij, die welbehagen aan deze Zijn in Christus geschapen werken heeft, ze om niet, hem vrijsprekend, in de mens legt en aldus vrijwillig nog dat welbehagen aan ze als werken van de, zondige, mens heeft. God legt deze werken als voorwerp van Zijn welbehagen in de mens tegelijk met Zijn wil om er Zijn loon voor te geven. Vrijwillig stelt Hij ze op prijs en stelt er een prijs op.
    Calvijn: 'Zonder hun eigenlijke waarde te schatten, verheft Hij de werken door Zijn vaderlijke goedgunstigheid tot zo hoge eer, dat Hij ze van enige waarde acht' (C.I.3.17.3). Van enige waarde acht? 3.14.13: 'Want slechts inzoverre een mens met de gerechtigheid van Christus bedekt is, kan hij God behagen...' God acht het de kinderen loon waardig voor iets dat Hij van enige waarde acht, dat Hij schept voor in de kinderen. De belonenswaardigheid is de grote belonenswaardigheid van de toegerekende gerechtigheid van Christus, maar slechts inzoverre deze aan de mens werdt medegedeeld. Vgl. Trente DS 1523: 'Niet allen ontvangen de weldaad van Zijn dood, maar zij slechts inzoverre (dumtaxat) als de verdienste van Zijn lijden hun wordt medegedeeld'.
    De Godgevalligheid wordt bevestigd door IPetrus 3: 'Uw sieraad zij... de verborgen mens van uw hart, met de onvergankelijke tooi van een zachtmoedige en stille geest, die kostbaar is in het oog van God.'

    De vergelding

    Over de bovenstaande verhouding tussen onverdiendheid, aansporingskarakter en beloonbaarheid zegt Calvijn 3.17.4-6 (n.a.v. Hand 10: 34,35): Omdat alle mensen van nature (d.w.z. de met Adam gevallen natuur) verloren zijn, en God niet wil, dat zij verloren gaan, heeft de aanneming geen verband met de gerechtigheid van de mens, maar is ze een duidelijk bewijs van de goedertierenheid Gods jegens ellendige zondaren (vgl. Trentes decretum de iustificatione cap. 1 ´kinderen des toorns, zover "slaven der zonde"... dat zij niet kunnen bevrijd worden of opstaan´).
    De tweede aanneming is die, waarvan Petrus spreekt (Hand 10:34,35), namelijk wanneer de gelovigen, nadat zij geroepen zijn, God behagen, ook ten aan zien van hun werken...
    De beloften der Wet zijn die, welke het loon aankondigen onder voorwaarde, dat wij haar geboden zullen volbrengen. De beloften van het Evangelie tonen veelmeer aan, hoedanig Zijn dienstknechten zijn, die ter goeder trouw Zijn verbond hebben aangenomen, dan dat zij de oorzaak uitdrukken waarom God hen weldoet.'
    Calvijn bedoelt, dat de mens, zondaar zijnde, helemaal niets verdient en nergens recht op heeft. Wij verdienen niet, dat wij beloning waard zijn. Dus wij verdienen niet begunstigd, dus ook niet beloond te worden. Toch zijn wij in Gods ogen loon waard geworden, al legt de Schrift bij 'loon' meer het accent op de goedgunstige Vader dan op de zondige mens.
    Wanneer wij dit zo stellen, dan verschijnt Calvijns negatieve aanzet, waarmee hij suggereert, dat het loon niet de oorzaak uitdrukt waarom God de gelovige weldoet, daar hij zegt 'veeleer... dan' nòg als de negatie van de negatie, dat het loon helemaal niet die oorzaak zou uitdrukken. Aldus laat deze formulering de mogelijkheid van mede de oorzaak uit tedrukken open. Anders zouden bv. termen als 'vergelding' (´antapodosiV, Col.3,24) maken, dat de theologie van Paulus geen evangelische theologie is. God maakt waarderend het gewaardeerde tot werkelijke reden voor beloning.

    Proef op de som

    Hiermee stemt overeen, dat Calvijn C.I.2.3.11 zegt: 'Het werk, in de Zijnen begonnen, is Hem aangenaam en daarom geeft Hij steeds meer genade.'
    Dit betekent wel, dat God met datgene waar Hij plezier in heeft gaarne doorgaat, dus dat Hij uit dit plezier uiteraard meer van hetzelfde wil. Maar Hij stelt het eigen werk op prijs en vindt ervan, dat het aanvulling behoeft, daar het roept om (vol)tooiing.
    Kijk, als het alleen maar doorgaan is met zijn genoegen, zoals een visser nog wel een tijdje langs het water blijft zitten, dan zou men dus moeten zeggen: Dat vissen bevalt hem zeer goed en daarom blijft hij zitten tot hij er genoeg van heeft. Maar dat wist God al van tevoren, dus waarom dan dit zo zeggen? Want zeker God hoeft niet uit te testen of het werk, dat Hij begonnen is Hem wel aangenaam is. Waarom zegt Calvijn het dan? Kennelijk om alleen uit te drukken, dat het door Hem verrichte Gode zo aangenaam is, dat Hij het uit plezier daaraan verder beschenken wil. C.I.3.24.21 zegt de Reformator dan ook: ´Wanneer de Schrift zegt, dat de goede werken der gelovigen oorzaken zijn, waarom God hen weldoet, moet dit aldus verstaan worden, dat God genade bij genade voegt. Uit de eerste genade neemt Hij als het ware oorzaak een tweede genade te schenken opdat Hij niets achter zou houden, wat dienen kan tot verrijking van Zijn dienstknechten.´
    De lezer zal het niet ontgaan zijn, dat nu hij zich wendt naar een beloning van de rechtvaardige, Calvijn alweer een uitwijkende beweging maakt door opeens de oorzaak ´als het ware´ te noemen. Versterkt dit nu niet het ´en daarom´ van C.I.2.3.11 als alleen slaande op Gods eigen plezier in weldoen, en tegelijkertijd dat het niet gaat om belonen uit opprijsstelling? ´Als het ware´ betekent dat de waardeerlijkheid niet zo dwingend is dat het niet Gods vrije welbehagen-aan zou zijn, maar wel transpareert er duidelijk in, dat God het daarom doet, dus omwille van die eerste genade: om wát anders dan dat het Hem aangenaam is? Alles samen duidt er wel op, dat het ´en daarom´ mede duidt op een uit plezier aan Zijn werk in ons dit willen tooien met aanvulling ervan.

    Conclusie betreffende (on)verdienendheid

    Omdat de werken als mensenwerken onrein zijn, verdienen ze niet. Dat God wat Hem aangenaam is niet behoeft te belonen, maar ook dit vrijwillig doet is wat anders dan 'verdienen'. Het gaat hier om hetzelfde als Barths wraking van de eigengerechtigheid.
    ´Ze verdienen niet´ wil zeggen: God, die rechtvaardigt tot het door vrijspraak verkrijgen van gerechtigheid, waaruit deze werken wellen, hoeft deze werker, zondaar als hij is, nog steeds niet tot deze gerechtigheid te rechtvaardigen, gelijk Hij wèl doet. In 3.18.7 zegt Calvijn: 'God... wil, dat wij Christus... gelijkvormig worden... Alzo worden wij het Koninkrijk waardig geacht' (vgl. boven 3.18.5). 'Geacht worden' staat tegenover 'verdienen'. Calvijn: door Hem uit loutere gunst tot als zodanig gelden gebracht worden. Ze naar deze waarde, die Hij er als eigenschap van de gave der rechtvaardigheid Zelf aan verleent, die de mens, zondaar als hij is, niet verdient, te schatten.
    Hoe erg verontreinigt de mens dan deze werken? Buiten rechtvaardiging is alle zonde ten doden8 maar wij worden, gerechtvaardigd, hieruit gehouden, een onverdiende gave. Zo, dat de mens is 'simul iustus et peccator'.
    En: Met hoe goede werken ook uitgerust, de mens blijft zondaar, die uit hoofde hiervan verwerpelijk is, maar God ontdoet de zonde van deze mens door Zijn rechtvaardiging, door zijn vergeving, gedurig van zijn doodbrengend karakter, terwijl Hij hem van Zijn rechtvaardigheid vervult.n9
    Verdienen de goede werken nu wel of niet? Wat de mens niet verdiende en uit zichzelf nog steeds niet verdient, dus in deze zin inderdaad nog immer niet verdient, de gratis gave, is in Gods ogen nu belonenswaard, maar zowel het belonenswaard zijn als het belonen als moment hierna is voor God vrijwillig. Dat Calvijn zegt, dat de werken van de gerechtvaardigde God behagen en voor de mens niet vruchteloos zijn, maar door Hem vrijwillig beloond worden, houdt eenvoudig in, dat de gerechtvaardigde niet Gods welbehagen oogst in de zin van 'wegplukt', naar zich toehaalt en voor zich heeft, zodat God Zich eraan zou moeten onderwerpen, maar bij Hem welbehagen oogst, en Hem loon waard is, als objectieve kwalificatie door Zijn vrijmachtige toedoen.

    Gods belofte en recht

    Zou God aan wat werkelijk belonenswaard is dan zijn prijs mogen onthouden? Is het nu niet voor God zedelijk verplichtend geworden? Alleen wat betreft het feit, dat God aan Zichzelf verplicht is Zijn belofte trouw te blijven. Maar zelfs dit bindende is in zijn verhouding tot Zijn goedertierenheid hierin a.h.w. ondergedompeld, Zijn goedertierenheid, die uit vrijheid is. Deze generositeit gaat alle gedachte aan vastzitten-aan, waartoe Hij Zich verbindt, te boven.
    In het Kruis heeft God Zich aan ons verplicht. Christus heeft waarlijk verdiend, heeft daarom zonder meer recht op het verdiende. Omdat de zonde is uitgeboet, is de weg niet alleen vrij voor begunstiging, maar dit is Gods begunstigen van de mens. Zou God, op grond van de zonde, de communicatie ervan naar ons mogen weigeren? Dit is een in tweeën splitsen van wat één is: God de Zoon boet voor ons, maar het blijft louter gunst. Vreemd dit verplichting te noemen. Hij kan eenvoudig niet weigeren wat Hij aan het geven is, daar dit tegenstrijdig is.
    Rechtsaanspraak op het beloofde klinkt claimend, tegen dat de belofte volkomen betrouwbaar is. Je hebt het in de belofte al ontvangen, zij het bij wijze van belofte. Dit maakt aanspraak overbodig. Niettemin heb je bij de belofte het recht op loon gekregen, dit is immers het beloofde, ja, het al gegevene.
    Maar dat God aan het nu belonenswaardige Zijn prijs zou hebben mogen onthouden, vindt zijn grond hierin, dat dat belonenswaardige iets is, dat de mens helemaal niet verdient: niet-belonenswaardigheid, indien God niet anders oordeelde, waarvoor toereikende grond aanwezig was, maar die vrijwillig door Hem is weggedaan. Dit recht op inlossing van het beloofde op grond van de belofte behoeft wegens zijn onderscheiden zijn van 'uit verplichting' niet in strijd te zijn met Rom. 4:4: 'Nu wordt hem die werkt het loon niet toegerekend uit genade, maar krachtens verplichting, hem echter, die niet werkt, maar zijn geloof vestigt op Hem, die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot gerechtigheid', uit gunst dus.
    Ondanks de onverplichtheid van de belonenswaardigachting en beloning is Jezus door de Wetsbetrachting, ook die nog gebrekkige van de rijke jongeman ontroerd. Deze oogst waarlijk Zijn waardering. Zodat een loon kennelijk uit erkentelijkheid is. Waar het om gaat is, dat het gewaardeerde werk door deze vrijwillige erkentelijkheid God loon waard is. Daarmee zijn ze voor God niet uit zichzelf loon waard, maar juist doordat Hij ze wil waarderen. Niet naar willekeur, maar doordat Hij naarmate Hij de smet van de zonde wegdoet, hun in die mate de kwaliteit, die ze als volkomen werken zouden hebben, maar die door de zonde bedorven is, in Christus teruggeeft. Doch dit niet alleen, want zij oogsten het loon van de gerechtigheid uit genade, dus de verkregen gerechtigheid Gods in Christus, die datgene overtreft, dat zij als alleen maar volkomen werken zouden oogsten. Buiten genade zou dit er zelfs geen zijn, omdat het nog maar het werk van een onnutte dienstknecht zou zijn.

    Calvijns geclausuleerde onderschrijving van verdienstelijkheid

    De consequente bevestiging van het bovenstaande vinden wij in een citaat door Calvijn van Bernhard van Clairvaux. C.I.3.2.41: 'Bernardus zegt naar waarheid: "Het geloof, dat Paulus de roem der vromen noemt (2 Cor. 1:12), bestaat in drie dingen: ten eerste is nodig, dat gij gelooft, dat de vergeving der zonden alleen te danken is aan de goedertierenheid Gods; ten andere, dat gij geen goed werk kunt doen dan alleen als God het u geeft; en eindelijk, dat gij het eeuwige leven door geen werken verdienen kunt, tenzij het om niet gegeven wordt´. Dus: Bernhardus zegt naar waarheid, dat gij het eeuwige leven verdienen kunt, mits het om niet gegeven wordt. Of moeten we interpreteren: 'U kunt het eeuwige niet verdienen, maar het wordt u gegeven'? Maar Calvijn zegt: 'tenzij' (nisi). Het 'belonens)waard zijn', waarvan boven sprake was en 'verdienen' is synoniem. Dit is niet de enige keer, dat hij dit doet. B.v. ook C.I.3.22.11 zegt hij: '... Jacob werd, toen hij nog niets door goede werken verdiend had, door de genade aangenomen.'
    Dus het verdienen, dat de gerechtvaardigde doet, is in feite een gratis ontvangen? Ongetwijfeld. Maar dit is geen verdienen. Of betekent het eenvoudig: in loondienst staan, zonder dat er sprake is van innerlijke waarde? Voor Bernhard is dit niet het geval, want hij leert hetzelfde als de Traditie. En voor Calvijn kennelijk ook niet, naar wij steeds duidelijker zullen zien. Er blijft maar een ding over: het verdienen is een ontvangen, maar wel degelijk tegelijk een verdienen, niet deels het een, deels het ander, maar zelfs het verdienen wordt ontvangen (volt. deelw.). Wij verdienen, terwijl wij verdienen, niet dat we verdienen. De werken van de gerechtvaardigde verdienen het loon niet uit zichzelf, maar hun wordt iets gegeven waardoor zij het waard zijn, dus verdienen. 'Het waard zijn' kan immers uitgedrukt worden als 'in zijn ogen waard zijn', d.i. 'voor Hem een prijs verdienen', niet uit zich, maar gedurig door Zijn toedoen.
    Calvijn betichtte de oude leraars t/m Bernhard ook niet van dwaling! Deze is weggelegd voor het nageslacht. Waarin bestaat dan het misbruik, waarvan Calvijn, naar wij zagen, sprak? In het afwijken van de bewoordingen van de Schrift? Kennelijk. Maar zulk een afwijken is naar zijn visie niet qualitate qua misbruik. Waarin bestaat dit dan wel? Blijft over het specifieke van de afwijking, die wel misbruik, maar geen dwaling is. Het misbruik kan dan alleen maar steken in de aanstootgevendheid van de afwijkende term 'verdienste', het stof zijn tot dwaling. Gezien zijn lot had het woord beter nooit kunnen worden ingevoerd, is wat Calvijn wil zeggen. Niettemin houdt hij niet ten einde toe vol, dat de term inadequaat is en gaat hij in feite accoord met de formulering van Bernhard van Clairvaux (en naar we nog zullen zien een soortgelijke bij Augustinus).
    Letten we wel, dat Bernhard hier spreekt in de katholieke traditie vanaf de Oude Kerk, en dat het onderscheid tussen 'promereri' en 'mereri' (in een specifieke zin als 'de congruo' onderscheiden van 'de condigno')n10 pas uit de tijd van na Thomas stamt. Het ging Bernhard derhalve om echt verdienen, om meer dan werken voor een contractloon of premieloon.

    Werkelijke instemming?

    Had Calvijn, toen hij met deze bewoordingen instemde, dit begrepen? Dat de werkers van het laatste uur navenant meer verdienen dan die van het vroege, wijst uit, dat God vrij is en niet gebonden aan tijdlengte, maar zegt niets over het al dan geen 'loon', mérite, in de zin van Mt. 5, 46, hebben van hun werk. Wij zagen, dat Calvijn dit verdienen van het eeuwige leven bij Bernhard omschrijft met negatieve zegswijzen om de onverdiendheid voor de ontvanger van de relatie tot God van gerechtvaardigde om niet uit te drukken. Hierin drukt Calvijn uit iets te hebben begrepen wat ook positief kan worden uitgedrukt als liefde van God voor het doen van het goede. Zodat Calvijn 'verdienen' bij Bernhard begrepen heeft als in werken wandelen die God geschapen heeft, opdat wij erin wandelen, naar Zijn werkelijk welbehagen eraan, op grond waarvan God aanvuurt en: uitbetaalt, als vrucht dus. Bernhard leert, dat dit is uit genade, niet uit verdienste. Bij God in de gunst staan is zo uit genade verdienen, wat we van onszelf nog steeds niet verdienen. Calvijn heeft dan ook geenszins een begin van neiging de door hem zo gewaardeerde Kerkleraar tegen te spreken, of verder in te perken dan deze zelf doet, integendeel. Calvijn zelf benadrukt im ampele mate de belonenswaardigheid.

    Kritische opwerping

    Heeft 'Hem loon waard Zijn' niet iets minimalistisch in de zin van 'Hem niet helemaal geen loon waard zijn'? Het gaat om een werkelijk liefhebben door God van de goede werken van de gerechtvaardigde. Calvijn, met Luther de ziel van de Reformatie, leert C.I.3 hoofdstuk 17 ´Vereniging van de beloften der Wet en die van het Evangelie´, hoofd 5: '... De gelovigen, nadat zij geroepen zijn, behagen God, ook ten aanzien van hun werken. De Here kan niet anders dan liefhebben al het goede, dat Hij door de Geest in hen wekt.'
    Als dit zo nadrukkelijk wordt gesteld, wie verstout zich dan nog te stellen, dat ze niet Gods liefdesbetuiging eraan oogsten, oftewel waard zijn, oftewel verdienen?
    Calvijn voegt zinvol toe: 'Cornelius (: Hand 10:34/35) is onverdiend aangenaam geweest in Gods ogen, eer zijn werken aangenaam konden zijn.'
    Het goede dat God liefheeft in het mensenwerk is het goede als het goede, dat uit Hem afkomstig is. Maar dit geeft Hij gedurig aan de mens en heeft het nog als mensenwerk lief, doordat Hij wat de mens eraan besmet niet doorrekent.
    Als al van Luther gezegd wordt, dat hij gezegd heeft: 'Ik kan niet anders', hoeveel wezenlijker wordt de waarheid dan niet uitgedrukt als Gods Geest door Calvijns mond zegt: 'Ik kan niets anders'. En waar Luther deze houding door de Geest had, dan zegt God deze zin kennelijk tweemaal. Maar God is één. Laten ook wij, christenen, dan evenzo één zijn.

    De overeenstemming van de formulering van Trente met Bernhard en Calvijn

    Wij zagen, dat Calvijn met zijn kritiek op roemen en eigenmachtigheid Bernhard van Clairvaux aan zijn zijde heeft. Wat dit nu voor ons interessant maakt is, dat dit niet alleen opgaat voor Bernhard, doch ook voor de overeenkomstige formulering van Trente (caput 16):
    'Laat het verre zijn, dat de christenmens op zichzelf vertrouwt of roemt en niet in de Here (vgl. I Cor 1,31; 2 Cor 10,17), Wiens goedheid jegens de mens zo groot is, dat Hij wil dat hun verdiensten zijn wat Zijn eigen gaven zijn.'
    Voorwaar, dezelfde leer als die van St. Bernhard, en de oude leraars, en... die Calvijn onderschrijft. Maar wat Trente betreft doet hij dit echter allesbehalve zonder slag of stoot, aangezien hij na het Concilie er zich zeer negatief over heeft uitgelaten. Hierop gaan wij nu nauwkeurig in.

    Calvijns kritiek op Trente

    Onmiddelijk na de publicatie van de decreten van Trente schreef Calvijn in ijltempo een kritiek hiervan onder de titel ´de handelingen van het Synode van Trente met tegengif´ (Acta Synodi Tridentini cum Antidoto). Anders dan het geval is met de passim kritieken op de scholastieke en ´roomse´ leer in de overigens betrekkelijk rustige uiteenzetting van zijn getuigenis die Institutie is, bevinden wij ons hier in de branding van zijn strijd, waarin hij alle wapens van de Romeinse retorica trekt om de vijand met een regen van pijlen te beschieten. In plaats van zo´n controversetheologie heb ik er zelf steeds de voorkeur aan gegeven in de betrekkelijk luwte aan weerszijden van dit front de verrassende overeenstemmingen te exploreren. Het blijkt nl. keer op keer, dat men ´slechte´ versies resp. interpretaties van elkaar afwijst en in de plaats hiervan het betere emfatisch opeist, terwijl men wat men van elkaar lijkt te ontkennen inmiddels toch meer blijkt toe te geven dan aanvankelijk het geval lijkt.
    Terecht heeft men mij er echter op gewezen, dat zo de indruk ontstaat, dat ik Trente zo beter meen te interpreteren dan Calvijn en er derhalve onmogelijk langs zijn onmiddellijke kritiek op Trente heengegaan kan worden. Uiteraard impliceert de door mij gevonden overeenstemming tussen Institutie en Trente, dat m.i. Trente alle scholastieke en ´roomse´ theologie (in hun afgewezen zin) kwalitatief overtreft. Maar in het ´Antidotum´ blijkt, dat Calvijn Trente in de afgewezen zin is blijven lezen en er buitengewoon fel op reageert. Wat nu? Wel, ondanks, dat het waar is, dat dusdoende Calvijn op meer slakken zout legt dan ik anders maar zou kunnen vermoeden en daarmee tot een uiterste aan verantwoording dwingt, blijf ik er steeds bij dat, ofschoon wat Calvijn te zeggen heeft juist is, hij Trente is blijven aanzien voor wat anders dan het is en dat wat hij bedoelt Trente wel degelijk ook zegt. Gelijk omgekeerd ook het geval is met dat zijn leer niet werkelijk door Trente getroffen wordt.
    Wij gaan dit in het Antidotum (door mij vertaald) na. Uiteraard ga ik hier alleen in op wat met het onderwerp van deze onderdelen te maken heeft en dat is het laatste deel van Calvijn bespreking van de zesde zitting van het Concilie. Het is niet nodig de hele tekst van de sessie vertaald weer te geven, aangezien Calvijn dit, ofschoon verwerkt in zijn tekst, vaak vrijwel letterlijk doet.

    Calvijns Antidotum over de verdienstelijkheid der goede werken

    Calvijn begint hier zijn behandeling van ons onderwerp met:

    ´Rest nog het laatste hoofdstuk, over de verdienstelijkheid van de goede werken. Er is overigens tussen onder ons geen enkele controverse over, dat de gelovigen moeten worden aangespoord tot goede werken, en ook opgewekt moeten worden door vooruitzicht op loon. Wat is er dan aan de hand? Ten eerste ben ik het ermee oneens, dat zij het eeuwige leven tot loon maken: want indien God in het eeuwig leven de werken beloont, daarvan gaan zij meteen maken, dat het het leven zelf is dat daarin als loon vergolden wordt. Alsof het niet veeleer de erfenis is, waarvan de Schrift overal luidkeels roept, dat hij ons enkel toekomt door het erfrecht der adoptie.´
    M.a.w. veeleer heeft God in het eeuwige leven een loon klaar liggen, dat Hij ook niet had hoeven geven. Niettemin erkent Calvijn, dat de Schrift het eeuwige leven de beloning der werken noemt. C.I. 3.18.4 ´Wanneer de Schrift het eeuwige leven de beloning der werken noemt, doet zij dat niet om de waardigheid van onze werken te prijzen, alsof zij zodanige beloning verdiend hadden. Maar zij spreekt aldus om onze zwakheid, die onder de vele ellende en moeilijkheden des levens gesterkt moet worden, te hulp te komen.´
    Wij zagen, dat Calvijn al eerder begon met te zeggen, dat het loon een aansporingspremie is. Wij zagen ook, dat hij erkent dat wij onverdiend Gode loon waard worden. Maar hier lijkt er weer een verschil te zijn tussen dat ´Hem waard zijn´ en ´verdienen´. Verdienen de werken van de gerechtvaardigde nu wel of niet? In Gods ogen wel? Maar Calvijn zegt hier wel: ´Wij worden het Koninkrijk Gods waardig geacht´, maar duidelijk: ze zijn zo onwaardig, dat zij niet verdienen. Maar het gaat om het perspectief van waaruit bezien wordt. Al doen wij, gerechtvaardigd, goede werken, wij blijven zondaars en wat verdienen wij dan eigenlijk? Enkel door Gods vergeving heen worden de werken, wij met onze werken, belonenswaard, hetgeen synoniem is met dat zij, dat wij verdienen. Een paradox? Wij verdienen onverdiend. In dit betoog zijn wij erop uit aan te tonen, dat Trente met ´dat Hij wil, dat onze verdiensten zijn wat Zijn gaven zijn´ niet bedoelt, dat het gegevene eerst het Zijne maar vervolgens het onze is, doch gedurig onverschuldigd in Gods gunst staan is. Zo kan men altijd zeggen, zowel dat wij niet verdienen als dat wij verdienen, daar het laatste niet waar is zonder het eerste en het eerste het tweede voor de gerechtvaardigde niet wegneemt.
    Calvijns contra-accent, dat het eeuwig loon veeleer een nalatenschap voor geadopteerden is, komt overeen met dat DS 1538 reeds gesproken werd over de ´erfenis´, en in DS 1524 van ´adoptie´. Wat door beide bedoeld wordt loopt (voor)uit op het eeuwig loon. Calvijn sprak dan ook slechts van ´veeleer´.

    Hij vervolgt:

    Maar meer nog is hier stof tot tegenspraak, wanneer zij onbeschaamd bevestigen, dat de gelovigen niets ontbreekt om gerekend te worden te voldoen aan Gods Wet, weliswaar voor de staat van het huidig leven, om dan het eeuwig leven (daadwerkelijk) te verdienen.´
    In Rom 8, 3 leert Paulus: ´God heeft, door Zijn eigen Zoon te zenden in een vlees, dat aan de zonde gelijk is, en wel om de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees, opdat de eis der Wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest.´
    Trente zegt (DS 1546): ´Men moet geloven, dat er niets langer aan de gerechtvaardigden ontbreekt om gerekend te worden met althans de werken, die in God zijn gedaan, voor de staat van dit leven aan Gods Wet te voldoen en ook te zijner tijd (als ze althans in genade zijn overleden, Apc. 14, 13) de verkrijging van het eeuwig leven waarlijk te verdienen...´
    Waar gaat het om? Gerechtvaardigd wordt hij die aan de Wet voldoet. Dat is alleen Christus. Wij worden gerechtvaardigd door het geloof in Christus. Zodoende wordt de eis der Wet vervuld is ons, dus inzover door het geloof Christus in ons is, want wij zijn nog niet in glorie wedergeboren, doch de werken onzer gerechtigheid in Christus, daaraan is niets ´alsof´ of schijn, dus ze zijn wat dit betreft waarlijk gerechtig.
    Nu zegt Trente echter, dat zij voldoen. Dit laatste is wat anders dan ´de Wet vervullen´ (´vervullen´, Mt 5, 18; ´gehoorzaamheid´, Rom 5:19; ´het einde der Wet´ Rom 10, 4, ´gehoorzaamheid´ DS 1538). ´Vervullen´ dat doen wij niet, maar Christus. Waar gaat het dan om? De gerechtvaardigden worden tot het beeld Gods hersteld. Hieraan moeten zij in werken beantwoorden. Doen zij dit dan voldoen zij aan de eis willen zij niet toch nog ongerechtvaardigd te zijn. Worden zij dus gerechtvaardigd door opnieuw Wetsvervulling? Nee, want dit laatste kunnen zij niet. Er staat dan ook niet voor niets ´zij voldoen voor de staat van dit leven´.
    Worden zij ten dele gerechtvaardigd door beantwoording? Dit lees je als je niet scherp leest. Maar wat we lezen is het voldoen aan een gevolglijke voorwaarde opdat wat we reeds krijgen niet ophoudt doorgang te vinden. Het voldoen is niets anders dan een onderwerping aan de rechtvaardiging-alleen-door-het-geloof om als gerechtvaardigde te kunnen doorgaan als degene in wie de eis van de Wet vervuld wordt. Je voldoet dus aan wat in je vervuld wordt. Vervul jij dan soms de Wet? Nee, maar kijk: rechtvaardiging hangt aan de Wetsvervulling, die alleen Christus vermag. Hij doet wat jij niet kunt, voor jou. Krijg jij dan een oneigen rechtvaardiging toegesmokkeld? Het is anders. Jij krijgt die Wetsvervulling door Christus aan je aangebracht. Wanneer jij hier nu aan beantwoordt, dan is dit de gestalte van inontvangstname van Christus´ Wetsvervulling die zich aan je geloof mededeelt. Of korter: jij voldoet in Christus aan de Wet, omdat jij een gerechtvaardigde bent. Uiteraard, door en in het geloof is dat zo. Maar daarmee niet in werken! Maar Paulus zegt: ´De eis der Wet wordt vervuld in ons, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest.´ Dus toch door werken? Verre van dat. Maar ons werken is de beantwoording aan Christus´ door het geloof binnenkomen. De beschrijving van onze dispositie ter rechtvaardiging DS 1526-1528 moet in deze dynamische zin worden gelezen, waarbij speciaal te letten valt op het DS 1527 geciteerde ´vertrouw, zoon, uw zonden zijn u vergeven´, toepassing van de verzoening aan het kruis als wortel van waaruit Christus´ rechtvaardigheid ons wordt gecommuniceerd. Dus Christus´ Wetsvervulling wordt krijgt in ons werken gestalte.
    Calvijn roept nu uit:

    Waar is dan die zaligheid die door David wordt gepredikt, ps. 32 v. 1, zonder welke wij driewerf ongelukkigen zijn?..´ Deze bevindt zich dus wel degelijk ook te Trente. Even verderop (DS 1549) zegt de synode: ´En omdat "wij allen in veel gezondigd hebben" (Jac 3, 2), moet eenieder zo goed als de barmhartigheid en goedheid, ook de strengheid en het oordeel voor ogen hebben...´ M.a.w. er is geen mate van perfectie zonder dat deze Gods barmhartigheid is en die niet onderworpen is aan God strenge oordeel. De reeds eerder getergde Calvijn beseft echter niet hoe eensluidend het net geciteerde is met wat hijzelf leert en dendert voort:

    Wee echter deze ongelukkigen, die niet begrijpen, dat degene die de perfectie zeer dicht genaderd is, nog niet halverwege gevorderd is. Want voelen, dat maar al te waar is het woord van Augustinus, dat doen al degenen, die hun geweten geoefend hebben: dat de gerechtigheid der heiligen in de leven meer bestaat bij de vergeving der zonden dan in de volmaaktheid van deugden.
    Wanneer Trente spreekt van ´aan de Wet voldoen´ bedoelt het, gelijk wij zagen, niet een grote perfectie van werken, maar dat er bij de gerechtvaardigden sprake is van werkelijke rechtvaardigheid, en niet van werken.

    Nog meer waar is dat andere wat ik reeds citeerde: Zolang zij onder de zwakte van hun vlees zuchten, rest hun één hoop, dat zij Christus als Middelaar hebben, door Wie zij met God verzoend worden.
    Zonder Christus is voor Trente ook de lichte zondaar verloren. DS 1521 leert, dat Jood noch Griek door hun werken gerechtvaardigd kunnen worden, maar enkel door de genade van Christus en canon 1 zegt derhalve: geen mens kan door werken, zonder genade van Christus gerechtvaardigd worden. Mensen worden niet door werken gerechtvaardigd, omdat zij zondaars zijn. De (ge)rechtvaardig(d)heid door Christus maakt echter niet, dat zij geen zondaars meer zijn. Dus ook degenen die in Christus geloven worden niet door hun werken gerechtvaardigd, maar door de verkrijging van de rechtvaardigheid van Christus. Maakt deze, gezien de formulering van canon 1, dat wanneer men de rechtvaardigheid van Christus heeft, werken wel rechtvaardigen, zodat het C.I.3.11.17 (´de rechtvaardiging door het Evangelie... daardoor wordt alle bedenken der werken uitgesloten´) tegen zich heeft? Dit kunnen zij dus niet, maar wel beantwoorden en uitdrukking geven aan de rechtvaardigheid van Christus, die men door het geloof aangrijpt, gelijk beschreven in caput 6.
    Is de rechtvaardiging in dit caput dan niet tegelijk met vergeving vernieuwing (van gezindheid, zich reeds uitend in [bij zichzelf be]werken)? Zonder de eerste is er aan de laatste niets rechtvaardigs, gelijk wel aan vergeving mits deze door kan gaan, reden waarom Trente cap 3 zegt, dat er zonder wedergeboorte geen sprake van rechtvaardiging kan zijn. Maar dan gaat zij wel door tot mededeling van de onschuld, en niet alleen de on-schuld, van Christus.

    Dus: Rechtvaardiging vindt geen doorgang als er door deze genade geen wedergeboorte volgt en blijft abstract. Maar: Zonder vergeving is er zelfs geen moment van begin van toeëigening van je rechtvaardiging of ook: zonder vergeving gedacht (gewaand, gemeend, of deze vergeten zijnd, hier gaat het in de reformatorische verwijten om) is er geen moment dat men maar (ge)rechtvaardig(d)heid zou kunnen noemen.
    De ´toepassing´ van de verzoening op ons als vergeving is dus de wortel waaruit Christus rechtvaardigheid tot de onze wordt gecommuniceerd. Geheel volgens Calvijns uiteenzettingen (C.I.3.11.6 en C.I.3.11.11). Werken, al is het maar vernieuwen van gezindheid, of betrachten van boetvaardigheid rechtvaardigen dus niet, doch alleen het geloof waarmee wij Christus´ rechtvaardigheid verkrijgen op grond waarvan en tot gecommuniceerd krijgen waarvan wij vrijgesproken worden: on-schuld meteen onschuld, heiligheid. Werken rechtvaardigen niet, omdat mensen, zijnde zondaars, de Wet niet vervullen, doch (door in Hem te geloven) alleen Christus in hen oftewel zij in Christus. Trente heeft de verzoening aan het kruis centraal staan.

    Calvijn: Maar het is niet verbazingwekkend, dat die vettige monniken die nooit enige gewetensstrijd hebben meegemaakt, nu ook nog dronken van eerzucht of in hun roes zich door enkel hun Roomse afgod zo´n wind laten toewaaieren van gewauwel over de volmaaktheid volgens de Wet.. Dus quod non Met dezelfde zekerheid zetten zij de hemel te koop, waarbij zij zich intussen zelfs drukmaken om het onmiddelijk loon waar zij op uit zijn.

    Maar Calvijn zelf leert, dat God genade bij genade voegt uit welgevallen aan Zijn werk in ons (C.I.2.3.11 samen met C.I.3.24.21), waarvan hij nadrukkelijk zegt, dat daarmee onze werken Hem aangenaam zijn (C.I.3.17.5) C.I.2.3.11: ´... God verrijkt Zijn kinderen dagelijks met nieuwe gaven. Het werk in de Zijnen begonnen is Hem aangenaam, en daarom geeft Hij steeds meer genade´.
    Want tevergeefs trachten zij met deze fraaie kleuren, die ze vervolgens invoegen, ogen die niet langer zwak zijn te vangen: nl. met verbieden, dat men in zijn werken roemt, omdat het Gods gaven zijn. Want ofschoon zij terloops melding maken van het feit dat het door Christus´ verdienste is, dat de werken der vromen verdienstelijk zijn, laten zij niettemin datgene weg wat in de eerste plaats noodzakelijk is: dat er geen werk is, dat niet door een of ander gebrek is aangetast, tenzij het door Christus´ bloed is afgewassen. 

    Zojuist wees ik er al op, dat wat er in ons aan goed is, slechts uit Gods barmhartigheid jegens zondaren is (DS 1549); en Trente leert duidelijk, dat wie het goede doen als zondaren ´hoe heilig ook´ (DS 1549), überhaupt op Zijn rechtvaardiging zijn aangewezen.n11 Zonder deze geldt men als onbevrijd (DS 1521), niettegenstaande ´tametsi... licet´, dat ruimte maakt voor rechtvaardige Joden en Grieken (naar Rom 2). Getuige ook het door Calvijn gepasseerde canon 1; een en ander slaat op Jood en Griek, maar geeft daarmee ook voor de christen de verhouding weer. Ja zelfs verzinnen zij een valse waardigheid van werken, opdat men zonder vergeving Gode behaaglijk zij. Schoonschijnend is inderdaad wat zij voorhouden: dat alles uit de Geest van Christus vloeit.

    Calvijns voorstelling van zaken, wanneer hij Trente interpreteert is: eerst vergeving, dan deze afgewisseld door verdienstelijkheid, niet langer uit vergeving, maar dat het hier God is die alleen de harten peilt wijst krek op het tegendeel. Calvijn heeft hier veel weg van een stier die alleen nog maar een rode lap ziet. In het hele decretum gaat het om de mededeling vanuit en onder vergeving van Christus´ rechtvaardigheid vanuit de verzoening aan het kruis. Dat deze elementen naast of maar na elkaar komen is door caricaturen ingegeven. Nee, ze vloeien uit één wortel.Maar waar wordt een losgemaakte deugd van de Heilige Geest gevonden?

    Hier althans niet: ´Aangezien Jezus Christus zelf... in de gerechtvaardigden gedurig deugd doet invloeien´ (DS 1546); Calvijn raakt hier aan de angel, zijn verdenking van herstel van de Wet, nadat de mens eenmaal gerechtvaardigd is. Nadat hij zich eenmaal heeft doodgergerd aan deze ´psychologie´ in de laatscholastieke theologie kan Trente zeggen wat het wil, deze indruk is bij hem onuitwisbaar geworden. Want al zegt Trente nog zo hard ´gedurig´ (´iugiter´) Calvijn leest dit als los van de gedurige vrijspraak. Goed, zonder rechtvaardiging is men, ook volgens Trente, onbevrijd. Maar betekent dit dan niet: maar met rechtvaardiging is men bevrijd en wat maalt men dan nog over onverdiendheid? Als echter Trente nu DS 1549 slechts onderscheidt Gods barmhartigheid en goedheid versus strengheid en oordeel dan is deze afhankelijkheid er eenvoudig. Waar is dergelijk ´freewheelen´ van ons dan?

    Een vraag die hier opkomt is: Is dit eenzijdig tegenstellen van ´oordeel´ tegen ´vrijspraak´ geen teken, dat Trente niet beseft, dat beide twee zijden van één oordeel is, Christus, de Rechtvaardige, geoordeeld als zondaar, alzo de veroordeling der zonde vrijspraak voor de gerechtvaardigden? Maar dat het om een dergelijk twee-in-één gaat is wel degelijk juist duidelijk daaraan dat het eerste als barmhartigheid het aan de dood ontsnapt zijn is en het tweede als ´oordeel´ is wat Calvijn een uitermate streng onderzoek noemt, d.w.z. kritiek waar het slechte wordt weggebrand, maar daarbij juist het goede gered. In het eerste lid overweegt de ontferming, in het tweede de ontsnapping aan de veroordeling, ofschoon deze verwerping wel opengelaten wordt. Betekent ´strengheid en oordeel´ dus niet: verwerping, veroordeling van het veroordelenswaardige, dus wel degelijk alleen maar negatief, immers spiegelbeeldig t.o.v. ´goedheid´? Maar hierna wordt de term ´oordeel/oordelen´ nog tweemaal gebruikt zonder bepaald negatieve voorbedoeling. Voor de mutuele spiegelbeeldigheid maakt dit dus duidelijk, dat de ´goedheid´ via ´barmhartigheid´ ontsnapt-zijn aan het oordeel is en ´oordeel´ via ´strengheid´ in het gericht gaan is, d.w.z. boven de afgrond gehouden worden is. Dit moeten allen voor ogen houden, wil men niet in de afgrond geworpen worden. Hier vinden we dus juist wat Calvijn mist: de smeekbede: ´Heer, ga, niet met mij in het gericht!´

    De wijze waarop dit moet geschieden is o.a. in caput 13 al duidelijk geschilderd: zijn allerstevigst vertrouwen stellen in God, toezien van wie staat, dat hij niet valle, met vrees en beven zijn heil bewerken, strijden om levendmaking des geestes en doding des vlezes. Naastelkaarstelling van geloof en werken? Het gaat om het vertrouwen in het werk dat Gods genade in ons begonnen is en zal afmaken tenzij wij af laten weten (= verachteren, de ware gelovigen niet zijn), bewerkende het willen en het volbrengen. Dus al ons werken is Zijn werk, van Hem op Wie wij ons allerstevigst vertrouwen moeten stellen. Het moge duidelijk zijn, dat Calvijn in verhevigde mate eist wat Trente leert. Het r.k. theologiseren heeft alleen een verleden achter zich en de voorliggende tekst is hem zo onderkoeld en daardoor irritant, dat hij voor hem niet overtuigend is en behebd met wat hij denkt dat er staat. Calvijn vraagt vervolgens over onze deugd, die naar hij ten onrechte meent door Trente als van de vergeving losgemaakt wordt beschouwd:
    Of wordt ze niet aan een ieder naar zijn mate toebedeeld (I Cor 12, 14)

    In DS 1529 werd aan dit ieder naar zijn mate gerefereerd, en de wil van de Geest prevaleert hier ook (in feite: ´permissief bewerkend´, can 6) over onze indispositie, (die wij volgens DS 1534 ook voortdurend in acht moeten nemen) die inderdaad juist uit het ´naarmate´ opklinkt..
    Zij moesten dus onder ogen zien, dat er altijd iets van onze drek is bijgemengd, dat de zuiverheid ervan aantast. Want de ondeugdzaamheid die ons aankleeft, vervormt zodoende in Gods ogen alwat er uit ons aan werken komt.

    DS 1549 zegt: alleen God kan peilen en DS 1537 ´hoe heilig ook, men valt geregeld in zonde´.
    Er blijft alleen dit ene over, dat zij door onverschuldigde acceptatie de genade die zij niet uit zichzelf hebben herkrijgen. (Herkrijgen: sedert Adam.)
    Dit geschiedt daarmee dat niet zijzelve hooggeschat worden: maar zij hun waarde aan Christus ontlenen en als het ware afbedelen.
    Dit is reeds een grove en goddeloze hallucinatie: niet te erkennnen dat enkel en alleen in Zijn naam door God geaccepteerd wordt wat er aan werken uit ons voortkomt, daar door Gods vaderlijke barmhartigheid al wat niet deugt wordt vergeven.

    Trente leert, dat zonder rechtvaardiging ook ´goede´ werken  zondaren Gode niet aangenaam maken, deze derhalve op Gods acceptatie zijn aangewezen.
    Dit is ook de betekenis in caput 8, dat werken vóór de rechtvaardiging deze niet verdienen. Met deze werken worden veeleer goede dan slechte werken beoogd, maar niet alleen die van niettemin onwedergeboren Grieken en t.o.v. de Wet machteloze Joden, maar ook die van de rechtschapenen en vromen, die zonder de genade van Christus niet op kunnen staan noch bevrijd worden (cap 1, can 1). Voorzover zij zijn opgestaan, het moet dan door Christus zijn. Maar afwijzing van Christus laat onbevrijd. Immers, Christus moet men door het geloof aangrijpen teneinde hierdoor gerechtvaardigd te worden.
    Nu spitst Calvijns beschuldiging zich toe op de vraag: Verdienen de werken van na de rechtvaardiging deze dan wel? Deze suggestie gaat geheel voorbij aan wat er door cap 8 werkelijk wordt gesuggereerd, nl. dat met de acceptatie de niet-verdienendheid voorbij is: de werken zijn immers geaccepteerd, dus niet langer waardeloos. Evenwel, de takken kunnen niet de stam dragen, de rechtvaardiging die nog gedurig om niet is ook (zie hierboven), maar uit vrij welbehagen schept God onze werken die als Zijn werken Hem behagen, d.w.z. niet zij behagen Hem, maar onze rechtvaardigheid in Christus. Zodoende zijn zijn (´de moeite van´) Zijn rechtvaardigen waard, ze echoën deze gunst terug.

    Maar zijn dan niet zo onverdienend als Calvijn wil? Dit is dus schijn. Deze wordt echter gewekt doordat men hiermee des persoons werkelijke rechtvaardigheid opeist en niet langer heimelijke eigenlijke ongunst geleerd wil hebben, wat eerder helaas gehypertrofieerd was tot roemen in werken. Nu is het niet zo, dat Calvijn hiertegenin heimelijke ongenade leert, maar hij legt er dermate de nadruk op, dat jezelf nooit verdiend zult hebben, dat het soms lijkt, dat we voor God nog feitelijke non-valeurs zijn. Zo geen hypertrofie dan toch een boventoon. Toch leert hij Gods werkelijk welbehagen aan de gerechtvaardigden. Maar Trente wil eigenlijk alleen maar zeggen: wij zijn als zondaars op Gods rechtvaardiging aangewezen, verdienen deze niet, maar zijn daarna werkelijk in Zijn gunst aangenomen.
    Nu heeft Calvijn in zijn bespreking daarvan ter geëigender plekke in het Antidotum erop gewezen, dat voor genoemd als niet verdienend betiteld geloof en werken de mens de genade al in de rug moet hebben, gezien het feit dat Abraham  al gerechtvaardigd werd. Over de acceptatie zegt Calvijn in C.I.3.14.12 dan ook, dat het hier om niets anders gaat dan de liefde waarmee God ons in Christus omhelst. Maar Trente bedoelt het überhaupt aangewezen zijn van de mens op rechtvaardiging, die hij ontmoet, juist in cap 1 zo goed als in can 1, die insluiten, dat werken van rechtvaardige Joden en rechtschapen Grieken (cap 1) uit heimelijk genade van Christus zijn die ze in de rug hebben. Dit maakt des te meer duidelijk, dat beide partijen huldigen, dat zelfs goede werken geaccepteerd moeten worden, oftewel op rechtvaardiging in Christus zijn aangewezen.
    Calvijn zet zijn betoog voort:

    Met dat andere punt is het bijna hetzelfde: dat zij niet overwegen, dat ook als wij met een werk verdiend hebben, dit hoe groot het ook moge zijn, door een tegengestelde overtreding verloren gaat: wie op een punt misdaan heeft, is schuldig geworden aan alles (Jac. 2, 10). Wat beloof je jezelf loon, waar niets dan de eeuwige straf wordt aangezegd?
    Trente leert eenvoudig, dat je zonder Christus niet van je slavernij aan de zonde af bent, ongerechtvaardigd bent, ook al zijn Jood en Griek vrij, d.w.z. tot keuze voor goede werken, maar dan zo, dat ´opstaan´, wedergeboorte, levendmaking, uit genade is; aldus getuigt dan ook canon 1 uitdrukkelijk en Calvijn heeft op dit canon dan ook geen aanmerkingen.
    Calvijn:

    Zij doen derhalve verkeerd, zolang zij niet naar dit ene hulpmiddel vluchten, dat God Zich uit vrijgevige goedgunstigheid verwaardigt, als er in ons iets goeds is, het kwade, dat het verre in aantal en gewicht overtreft, niet aan te rekenen.
    Het gaat Calvijn hier dus niet om Gods goedgunstige toewending waarmee Hij ons onder vergeving tot rechtvaardigheid draait, maar dat Hij, ook nadat Hij dit gedaan heeft, ons nog moet vergeven zodat Hij ons dusdoende gedurig voor rechtvaardigen houdt. Maar ook te Trente geldt: hoe goed de werken ook zijn, zonder Christus wordt de (ook ´lichte´) zondaar niet gerechtvaardigd, daar deze niet bevrijd is en opgestaan uit de slavernij. Dus ook de lichte zondaar is, indien wordt gerekend buiten Christus ongerechtvaardigd en moet het voor zijn bevrijding niet zozeer van algeheel opstaan als wel van rechtvaardiging hebben: als acceptatie en dat is hetzelfde als vrijspraak.
    Welke rol spelen hierbij de goede werken?

    Maar de laatste dwaling is het afzichtelijkst: dat zij het vertrouwen in het heil laten afhangen van zien naar de werken. Weliswaar verbieden zij met een woord, dat wij hierop vertrouwen:
    maar omdat zij alweer bevelen dermate acht te slaan op werken dat inzóverre voor ons de hoop op heil zeker zij, welke stof tot hopen zullen wij daar aantreffen? Vestigen zij niet het hele vertrouwen op onszelf?
    Waarmee bevelen zij dat? Met de aanmaningen aan het begin van het caput? Zie hiervoor verderop beneden. En: ´Zijn goedheid jegens de mensen is zo groot, dat Hij wil dat hun verdiensten zijn wat zijn gaven zijn.´ Is de bedoeling hiervan, dat men, weliswaar aan God toeschrijvend en niet in zichzelve roemend, op deze verdiensten vertrouwt; waar dan niet op slaat, dat niemand zonder gevaar van vergissing de verzekerdheid heeft, dat hij in staat van genade is? (DS 1534) Inderdaad, dit slaat op de mogelijke inbeelding, niet op de toezegging: Van je verdiensten? Maar in God roemen is in God roemen en niet in jezelf. Ik citeer nu voluit wat hier volgt: ´En omdat "wij allen in veel gezondigd hebben" (Jac 3, 2), moet eenieder zo goed als de barmhartigheid en goedheid, ook de strengheid en het oordeel voor ogen hebben, en niemand zichzelf beoordelen, ook indien hij zich van geen kwaad bewust is, omdat heel het menselijk leven niet door het menselijk oordeel onderzocht en beoordeeld moet worden, maar dat van God, die "verlichten zal het in duisternis verborgene en de beraadslagingen der harten aan het licht zal brengen, en er dan lof zal zijn voor eenieder van God (I Kor 4, 4v), die zoals geschreven is eenieder zal vergelden naar zijn werken".´
    Trente leert dus duidelijk, dat men omtrent eigen verdiensten niet kan oordelen. Calvijn trekt dit echter meteen in een tegengesteld kwaad daglicht:
    Derhalve voegen zij een clausule toe die overeenstemt met een dergelijke doctrine te weten dat het gaat om: dat er in dit leven gestreden moet worden met een dubieuze uitkomst: totdat God eenieder naar zijn werken vergeldt. Hiermee gooien zij alle roemen in ons geloof om: of om Paulus´ woord te gebruiken, zij maken het geloof zelf ijdel (Rom 4, 14).
    Deze is voor hem de U-bocht naar de tegengestelde richting door de overweging, dat dit roemen toch niet lukt. Mooi gedacht, maar Trente is hem in zijn kritiek annex eisen in feite voor (men leze door) en niet zoals hij denkt met een pararadoxale gevolgtrekking die wel erg onverwachts zou zijn, daar het zou betekenen dat men hiermee toegeeft, dat men net gebazeld heeft.
    Maar Paulus zegt, dat hij niet gerechtvaardigd is, ook als hij zich nergens van bewust is (I Kor 4, 4)
    (Correctie van vorige editie:) Dit zegt Trente hier ook, maar Calvijn ziet het niet staan en haalt het als nieuw van Paulus vandaan  tegen die onzekerheid der werken, waarvan hij ten onrechte meent, dat Trente ermee terugneemt wat het zegt.

    Ik geef toe: en daarom opdat vaststa het stabiele en rustige bezit der rechtvaardigheid past het onder achterhouding van vermelding der werken, onze rechter te bidden, dat Hij niet met ons in het gericht ga (ps 143, 2). Dit is namelijk de haven van onze zekerheid, dat God de gestalte van rechter aflegt, opdat Hij zich onze Vader toont.´
    Inderdaad. Daarom begon dit hoofdstuk 6 ook met aansporingen, niet met aanprijzen van vertrouwen in eigen verdiensten en met het tegendeel van de bewering dat men aan de uitkomst zou moeten vertwijfelen:
    ´... Men moet aan de gerechtvaardigden... de volgende woorden van de Apostel voorhouden: Weest overvloedig in ieder goed werk, "wetende, dat uw moeite niet ijdel is in de Here" (II Kor 15, 58; "God is immers geen onrechtvaardige, dat Hij uw werk en liefde vergeet, die gij in Zijn naam betoont" (Hebr 6, 10), en: "Verliest uw vertrouwen alstublieft niet, daar dit een grote beloning zal hebben" (Hebr. 10, 35). En daarom moet dus aan wie "tot het einde toe" werken (Mt 10, 22) en op God hopen in het vooruitzicht worden gesteld het eeuwig leven, dat én als genade aan de kinderen Gods om Christus Jezus barmhartiglijk beloofd is én "als loon" krachtens Gods eigen belofte aan hun goede werken en verdiensten getrouw moet (waarom ´moet´?; dit is gezegd in de zin van: wat iemand beloofd heeft moet hij doen) worden vergolden. Dit is de kroon der gerechtigheid, waarvan de Apostel zei, dat deze voor hem voor na zijn strijd en wedloop was weggelegd om hem door de rechtvaardige rechter vergolden te worden, niet alleen voor hemzelf, maar voor allen die wachten op Zijn komst" (II Tim 4, 7v).´

    ´Barmhartiglijk én als genade én als loon´: niet bepaald een geduriglijk om niet geschonken geschenk uit de wortel der vrijspraak? Reeds zagen wij, dat Trente verderop slechts onderscheidt Gods barmhartigheid en goedheid versus strengheid en oordeel. De verdienste valt dus onder de barmhartigheid en is dus niets iets aparts waarop wij ons kunnen laten voorstaan. Waarom wordt het anders zo uitgedrukt: ´barmhartiglijk... loon´. Men krijgt niet de kans met eigen voortreffelijkheid te pronken. Want niet bezit men op een gegeven moment verdienste, op grond waarvan men loon kan eisen, doch slechts erop rekenen, dat God Zijn belofte, waar Hij Zich aan gehouden weet, gestand doet, maar ook het loon is nog uit barmhartigheid.
    Als God wil, dat onze verdiensten zijn wat Zijn gaven zijn, dan betekent dit, dat hoe wij Hem ook behagen, deze welgevalligheid een onverschuldigd geschenk is, niet alleen dat wij niet verdienden, maar dus ook dat wij niet verdienen: omdat niemand zonder zonden is zoals bleek.
    Maar waar is hier, juist bij deze aanmaningen, de adoptie van arme zondaren vóór de hemelse beloning uit? Het is hier net of Gods barmhartigheid alleen maar bestaat t.o.v. het lot dat de mens moet sterven. Waar is de gevergde onmiddellijke betrekking op de vrijspraak van zonden?
    Wel, het caput heet ´over de vrucht van de rechtvaardiging´. De twee voorafgaande capita handelden nog over zondigen en het begint zelf met spreken over de hiertegenover staande rechtvaardiging. Ontstaat hierdoor niet de indruk, of wanneer men eenmaal gerechtvaardigd is alles koek en ei is en men zijn onwaardigheid niet langer te gedenken heeft? Wel heeft Trente reeds eerder gesteld, dat men zijn heil moet bewerken met vrezen en beven, beducht om zijn ontoebereidheid. Maar ademt het onderhavige caput geen tegengestelde geest, waardoor het Concilie zichzelf onbetrouwbaar maakt?
    Wel, er worden aan het begin enkele verzekeringen gedaan ter aanvuring met een beroep om zijn vertrouwen niet te verliezen, d.w.z. een aansporing tegen ongeloof in Gods belofte van loon. Men moet werken tot het eind en daarbij hopen op God als belonend met het eeuwige leven. Maar niet op de onmiddellijke adoptie? Maar dit is hetzelfde als de rechtvaardiging aangegrepen door geloof! Maar nog is de gelovige iemand die vanwege zijn zonden gerechtvaardigd moet worden, beter gezegd: het van zijn rechtvaardiging moet hebben. Waar is hier het ´ga niet met mij in het gericht´? Is het niet alsof dit een gepasseerd station is? Is het aanbevolen vertrouwen niet op een niet nader gespecificeerd ongeloof gericht, niet speciaal tegen vertwijfeling om de eigen zonden? Men moet niet vergeten, dat alles niet anders dan in goede orde behandeld kan worden en dat betekent i.c. inderdaad, dat men met het alweer enkele capita geleden gezegde over de eigen indispositie niet kan volstaan. Maar wel is het zo, dat men niet alles tegelijk kan zeggen. Daarom is het juist zaak zo´n caput als geheel te lezen en dan ook úit te lezen. Juist op het eind zorgt de redactie er nog voor om op dit punt de nadruk te leggen. Daar lezen wij dan ook, dat wij in veel gezondigd hebben, over Gods barmhartigheid en goedheid zowel als strengheid en oordeel en dat men ook als men naar eigen gevoel niets op zijn geweten heeft Gode het oordeel moet laten. Uiteraard zonder het vertrouwen waar aan het begin van het caput sprake van was na te laten. Vertrouwen in de niet-veroordeling van zondaren? Of alleen maar op beloning die dit meeneemt maar dan wel tot louter doorgangsmoment reduceert? Maar juist hier staat: ´moet zoals (sicut) Gods barmhartigheid en goedheid evenzo (ita) Zijn strengheid en oordeel voor ogen houden´. Het gaat dus al überhaupt om barmhartigheid, uiteraard daar het om zondaars gaat, waaraan dan met nadruk erop gewezen wordt, dat men wel degelijk op zijn zonden beoordeeld wordt, wat mede inhoudt: wegens zijn zonden afgewezen kan worden.
    Moet men nu ten opzichte hiervan vertrouwen op niet-veroordeling van en op de lof van God van zijn goede werken, gezien het citaat ´"Hij zal het in duisternis verborgene verlichten en de beraadslagingen der harten aan de dag brengen, en dan zal er lof zijn voor eenieder van God", die, zoals geschreven staat, aan eenieder zal vergelden naar zijn werken´? Nee, vertrouwen op Gods barmhartigheid en ontkomen aan Zijn oordeel, dus hoop op redding en op de beloning van het goede dat men gedaan heeft. Niet op de rechtvaardiging om niet? Inderdaad: op Gods barmhartigheid en goedheid, dezelfde waarmee Hij loon beloofd heeft ´voor de goede werken en verdiensten´ (DS 1545). Op het laatste, ons onderwerp waar het hier au fond om gaat, gaan wij nu door:

    Het principe der verdienstelijkheid

    Omdat ik hier een aanval van Calvijn op het principe van de verdienstelijkheid in de zin van mijn eerdere uiteenzetting mis en zelfs de zin lees ´ook als wij met een werk verdiend hebben, dit hoe groot het ook moge zijn´, loop ik hier vooruit op zijn behandeling van de canones, daarvan 32, dat de verdienstelijkheid de goede werken leert.

    ´Bij XXXII

    Met welk recht of in welke zin de werken die Christus´ Geest in ons bewerkt de onze genoemd worden, zet Augustinus kort uiteen, wanneer hij een vergelijking trekt met het gebed des Heren: waar wij bidden om het geven van het dagelijks brood, noemen wij dit het onze niet anders dan bij wijze van een gave. Derhalve, naar dezelfde schrijver ergens anders leert: niemand omhelst de gaven van Christus dan zijn verdiensten vergetend. Hij geeft meerdere malen als reden: omdat er niets anders is dat verdienste genoemd wordt dan Gods onverschuldigd geschenk. Laten wij dus deze vaders maar laten donderen wat ze willen, wanneer zij, door de verdienste van de genade te scheiden, op verkeerde wijze, verscheuren wat één is. Wie verder uit bovenstaande aanmerkingen van ons geleerd heeft wat de werken verdienen, zal niet zeer voor de voorliggende banbliksem huiveren.

    Wat het onze is is hier inderdaad Gods gave om niet uit barmhartigheid en deze onze verdiensten kennen wij, zondaars, niet, zegt Trente, maar het verzekert ons, dat onze inspanningen niet ijdel zijn in de Here. Wij moeten op God en Zijn belofte vertrouwen. Behalve het net door mij aangehaalde ´ook als wij met een werk verdiend hebben, dit hoe groot het ook moge zijn´ lezen wij hier ook nog ´omdat er niets anders is dat verdienste genoemd wordt dan Gods onverschuldigd geschenk´. In beide fragmenten lijkt Calvijn niet op zelfidentificatie ermee te betrappen. Het eerste fragment is voorwaardelijk. In het laatste zou Augustinus wel eens kunnen lijken de betiteling ´verdienste´ voor rekening van anderen te laten. Maar uit niets blijkt, dat deze het niet als zodanig erkent, integendeel. Want ´zijn verdiensten vergeten´ kan niet zelfs betekenen ´elke gedachte aan verdienste moet verre zijn´, maar betekent, dat men niet zelf kan en mag onderzoeken wat de eigen verdiensten zijn, zodat men zich hier a.h.w. op laat voorstaan. En Calvijn gaat ook niet verder, en ook niet verder dan het verwijt dat Trente de verdienste scheidt, doordat hij meent, dat dit wel leert, dat men zich op eigen verdiensten kan baseren, doordat deze naast de genade een eigen leven leiden.
    Ergo blijkt Calvijn, gelijk aan hetgeen bleek t.a.v. de augustiniaan St. Bernhard, nu ook t.a.v. Augustinus zelf, nog net te leren wat God bij hem bijna afpakt, de verdienstelijkheid, die zodanig van de barmhartigheid afhankelijk wordt gemaakt, dat zij erin lijkt te verdwijnen, zó sterk is ze afhankelijk van Gods barmhartigheid. Ofschoon Trente zegt, dat ons loon uit Gods barmhartigheid is, benadrukt Calvijn dusdoende dat dit maar al te waar is ook. Dit is evenwel geen werkelijk verschil in opinie. Men stemt dus overeen in Augustinus´ interpretatie van het loon.

    Calvijn eindigt echter:
    Maar deze varkens schamen zich niet teneinde de eenvoudigen de schrik op het lijf te jagen nadrukkelijk een woedende veroordeling uit te spreken: dat niemand de rechtvaardigheid deelachtig zal zijn, die niet vast voor waar houdt wat zij voorschrijven. Wát nou? Is er onlangs een nieuwe grond voor rechtvaardiging ontstaan? En is het niet veeleer zo, dat zoals het heil één is, wij hiertoe allen ook langs dezelfde weg komen? Wat zal er dan t.a.v. de profeten en apostelen gebeuren, die niet naar dergelijke leraars geluisterd hebben?
    (´Qui talibus magistris operam non dederunt´. Wellicht latijnse woordspeling: die de werken niet aan dergelijke leraars in handen hebben gegeven?)
    Daarom gegroet, school van Trente, wij hebben dat vaste geloof, dat ons de profeten en apostelen hebben overgeleverd..
    Mijn conclusie luidt, dat er in de lezing van geen van beiden een nieuwe grond voor rechtvaardiging is ontstaan en dat het heil één is en dat wij hiertoe langs dezelfde weg komen, zij het dat men met accenten elkaars accenten hypertrofieert of hypertrofieën breed uitmeet en het zicht op wat men nu eigenlijk belijdt afhoudt.
    ..wel wetende waarvandaan wij onze leer vandaan gaan betrekken.
    Trente heeft hetzelfde gezegd, maar dan tegen de Reformatie.
    Beide richtingen sluiten elkaar niet uit, leren zelfs het zelfde, maar via contrasterende accenten valt men aan wat in feite caricaturen van de ander zijn.

    Calvijns depreciatie van de term ´verdienste´

    Wij nemen afscheid van het Antidotum en gaan wij op zoek naar het antwoord op de vraag of het mogelijk is en überhaupt zin heeft in Calvijns context ooit wel de term ´verdienste´ te bezigen. Is de schriftvreemde term 'verdienste', anders dan bv. 'Drieëenheid', niet ongelukkig t.o.v. de Schrift? Maar waarom gebruikt de Schrift dit woord dan nooit? Heeft Calvijn dan met zijn misprijzing van het woord 'verdienste' niet de Schrift ondubbelzinnig achter zich? Zelf gebruikt in het Evangelie Jezus de term 'loon' in deze betekenis, op zijn zachtst gezegd, sporadisch. Ofschoon dit niets zegt ten nadele van de waarheid ervan.

    De aanstootgevendheid van de term 'verdienste'

    Uit het bovenstaande is duidelijk, dat het begrip ´verdienste´ alleen dan op zijn plaats is, indien het van zijn aanstootgevendheid ontdaan wordt, die de reden geweest is om van de notie eenvoudig niet meer te willen weten.

    'Loon' in Mt. 5:46

    De aanstootgevendheid van de term kan niet steken in de synonymie met het 'quid pro quo' dat in de schriftuurlijke term 'loon' besloten ligt, bv. bewezen door Jezus' zegging, Mt. 5, 46: 'Hebt uw vijanden lief en bidt voor wie u vervolgen... Want indien gij liefhebt, die U liefhebt, wat voor loon hebt gij?.. Gij dan zult volmaakt zijn'. 'Loon' zou hier zelfs synoniem met 'verdienste' zijn als het niet naast beloonbaarheid ook de loonverwerving connoteerde. Blijft alleen de suggestie van eigengerechtigheid, en een nevenschikking naast de verdienste van Christus via de door Barth gewraakte 'analogia entis'.
    Moeten we de term dan voortaan vermijden? De werkheiligheid, de dwaling van het nageslacht waarop Calvijn doelt, ontstaat niet door een term, maar het is omgekeerd: de term krijgt de geur van de onderliggende praktijk. De loonterminologie loopt hetzelfde gevaar. Jezus' zegging had ook als 'verdienste' vertaald kunnen worden, als ze niet meer dan dit alleen zei. Beide termen zeggen hetzelfde, nl. dat de innerlijke waarde van hetgeen loon waard is oftewel verdient uitdrukt. In het Grieks staat 'misqon' (accusatief), 'loon'. Hierin bevindt zich samengepakt èn beloning èn het feit van het loon waard zijn (= verdienste).
    Toch staat er 'loon', d.i.: iets om loon voor te krijgen, niet eens uit gunst, maar naar 'waardeerlijkheid op zichzelf, vooreerst op zich abstract' afgedacht van het werk van een zondaar zijn. Vervolgens uitdrukkend, dàt God in iemand iets wil waarderen en waarom God iets in iemand (uiteraard mits deze gerechtvaardigd is) waardeert en dit hierom wil belonen. De rechtvaardigheid van Christus wordt de grond van deze waardeerlijkheid. Maar hiervan blijft, dat God de rechtvaardigheid van Christus als gegeven tot eigen rechtvaardigheid waardeert, omdat Hij het dàn prachtig vindt wat de gerechtvaardigde verricht. Maar wat deze verricht is en wordt hem/haar om niet gegeven. De mens verdient het niet.
    Heeft Calvijn hier dan geen gelijk? De term, maar niet alleen deze term, is stof tot latere dwaling geweest. Is de term zelf in grotere mate misverstandwekkend dan de term 'loon'? 'Loon' hoeft naar zijn taalkundige algemeenheid uit zich niet per se een compleet 'quid pro quo' ('promereri') te betekenen. In de parabel van de werkers van het laatste uur ligt het accent meer op de afspraak dan op de innerlijke waarde (al kan deze dus ook hier niet afwezig zijn), daarom zegt Calvijn: 'Dwaselijk besluit men uit het loon (als 'prikkel' opvatbaar) tot de verdiensten.'

    De onschriftuurlijke term ´verdienste´

    Dat de Schrift het wóórd 'verdienste' niet kent, ligt daaraan, dat 'mereri' en 'meritum' typisch Latijnse begrippen zijn. In de Schrift moeten wij dus naar min of meer equivalente termen zoeken: 'axioV', ('einai'), 'waardig (zijn = verdienen), 'axia', waardigheid, evt. 'verdienste'; ik vond 'polutelhV', ('einai'), 'kostbaar (zijn) (IPetr. 3), 'misqoV', 'loon', 'mérite', '`ikanw', 'toereikend zijn' (Col. 1, 12), een sporadisch gebruik dus. Inderdaad is dit, omdat alle nadruk bij de Loongever ligt en niet bepaald op de waardigheid van de mens. Calvijn heeft dus wel de Schrift achter zich, inzoverre hij dezelfde nadrukverhouding heeft. Maar ook hij bezigt de term 'waard geacht worden' i.v.m. Gods werkelijk welgevallen.

    Het misbruik van de term

    Calvijn beticht de oude schrijvers van misbruik. Of dit terecht is, moet worden uitgemaakt in het licht van de Schrift. Is de betichting dan ten onrechte? Hiervoor moeten wij ook kijken, hoe de latere dwaling kon ontstaan. Deze ontstond bij wijze van vergetelheid van wat het woord 'verdienste' op zich juist niet noemt: de basis der onverdiendheid. Het verkrijgt zijn juiste betekenis in het referentiekader, de begrippenkosmos waarin het gebruikt wordt. Steeds nu, wanneer deze referenties onvoldoende uit de verf kwamen, is er feitelijk misbruik geweest. Dit geeft nl. uiteraard aanleiding tot klakkeloze overname en zo toename van de vergetelheid. Reformatorisch is het nu om te zeggen: beter afschaffen dan deze ontaarding en dan het tegenovergestelde van dat waarin de ontaarding bestaat benadrukken.
    Om de vraag van daarnet te beantwoorden beschouwen we nogmaals (C.I.3.15.2): 'Voorwaar, degene, die het eerst aan de werken der mensen in hun verhouding tot het oordeel Gods, de naam van verdienste gaf, heeft aan de gaafheid van het geloof zeer grote schade berokkend. De oude schrijvers hebben dit woord wel dikwijls gebruikt, maar och, hadden zij door het misbruik van één woordje, dat vreemd is aan de Schrift, aan de nakomelingen niet zoveel stof tot dwaling gegeven!'
    Beticht Calvijn, een hoofdgetuige van Gods Woord, niet àlle Kerkvaders, en dit niet voor niets, en gaat hij hen niet te boven, omdat hij direkt uit de Schrift getuigt? Nu vormen alle Kerkvaders een menigte Schriftgetuigen, maar laat ik de dienaren van Gods Woord niet tegenelkaar uitspelen, en mij tot de eerste vraag beperken:
    Het antwoord moet luiden: 'Ja, dat doet hij.' In de Schrift komt het woord-je niet voor, en zie wat voor gevolg het gebruik ervan gehad heeft! M.a.w. men had zich niet aldus van de Schrift moeten losmaken.
    Pleit dan niet tegen Calvijn, dat hij niet ziet, dat de Kerkvaders het woord gebruikten om de Schrift uit te leggen? Maar dit neemt geenszins de grond van zijn verwijt weg! Toch hoeft het vreemd zijn aan de Schrift op zich, ook volgens Calvijn, nog geen misbruik te betekenen. Alleen schriftvreemd gebruik is misbruik. Blijkbaar is dit hier het geval en zegt Calvijn, dat het als zijnde vreemd aan de Schrift ongelukkig en aanleiding tot dwaling is.
    Toch staat hier niet dat dit per se het geval is, wanneer het woordje maar gebruikt wordt. De context zou aan de klankkleur van oppositie tegen gunst, die het op het eerste gezicht heeft, want dit is de boosdoener, paal en perk kunnen stellen, maar wat Calvijn feitelijk zegt is: had men deze wanterm maar nooit gebruikt! Ook al neemt dit niet weg, dat er ruimte is voor, niet-tegenspraak,  met de constatering, ook door Calvijn zelf (bij Bernhard en ook Augustinus), van het feit, dat de Kerkvaders met dit woord de Schrift wilden uitleggen en dit zelfs correct konden doen.
    Wat Calvijn voor ogen heeft is het beeld van aan de ene kant Gods oordeel aan de andere kant ´s mensen merite. Dit beeld wordt door Calvijn als oppervlakkig, ja vals ontmaskerd in het licht van een diep schriftverstaan. Hij bedoelt inderdaad, dat alleen al het bezigen van de term een misbruik is, in zoverre de term dit beeld a.h.w. vanzelf meebrengt, zeker gezien zijn ervaring ermee, veeleer dan dat het woordje iets neutraals is dat dan nog misbruikt kan worden. Maar al is reeds hier sprake van misbruik, het is daarmee ook voor hem niet meer dan slechts aanleiding tot dwaling, zodat reeds dit betekent, dat het nog geen schriftvreemd gebruik hoeft te zijn: zolang het geen aanleiding geeft tot dwaling, is er nog overeenstemming met de Schrift. Misbruik is er echter bij onduidelijk gebruik of dubbelzinnigheid die die aanleiding geeft. Zo is er dan toch enigszins sprake van die neutraliteit welke dan in het licht van het gevolg terugwaarts de kleur van het misbruik verkrijgt die het woord op het eerste gezicht meebrengt, al kan dit effect door de welverstane context worden opgeheven waardoor de term juist recht kan doen aan schriftuurlijke bedoeling. Calvijns afstraffing neemt dan ook niet weg, dat hij de eigenlijke betekenis, en in St. Bernhards context zelfs de bewoording, aanvankelijk schoorvoetend slechts één aspect ervan ('aansporingspremie'), toegeeft.
    Maar als de vlag de lading dekt, dan is de verantwoording ervan de constitutieve voorwaarde (Duits: Bedingung), niet zozeer: die permitteert om hem er weer op te zetten, als wel: om man en paard te noemen en zich niet, op menselijke wijs, te schamen voor de volheid van Gods Woord.
    Maar als de Schrift zo terughoudend is, waarom zouden wij dan de mond vol moeten hebben over 'verdienste'? Heeft deze notie dan niet haar ten enenmale schadelijke uitwerking getoond en had zij niet vermeden moeten worden? Wel, Calvijn die de pelagianistische tendens overal om zich heen ziet, wil deze in de wortel aangrijpen en wel in dat de term ´verdienste´ van meet af aan dit gevaar met zich brengt. Dat dit echter niet wegneemt, dat hij hem, in goede context, niet zonder meer verwerpt, is dan ook nog allesbehalve hetzelfde als hem volmondig onderschrijven, al doet hij dit wel met de zaak die onder deze term verstaan moet worden. Om tot groter duidelijkheid te komen gaan wij bij de Schrift te rade.

    De term ´verdienste´ en de Schrift

    Wij zagen, dat schriftuurlijk is Christus woord 'loon', 'misqoV'. Nu drukt het Latijnse 'meritum' boven het Griekse 'axia' het aspect van 'verworvenheid' uit, echter zonder het loon-zelf in het vizier te trekken. Dit doet 'misqoV' in Mt. 5,46 wel. Deze term, zoals hij hier gebruikt wordt, is dus het sterkste. Er wordt dus zeker niet minder beloonbaarheid mee uitgedrukt, maar de meerwaarde ervan betreft de relatie met de Loongever die erdoor wordt uitgedrukt, de waardeerlijkheid en beloonbaarheid voor God.

    Interconfessioneel verschil?

    Het interconfessionele strijdpunt gaat er feitelijk dus over, of het in de Bijbel frequent gebruikte 'loon' niet het 'quid pro quo´ (de beloonbaarheid) uitdrukt, zodat steeds 'waard zijn', beloonbaarheid, geconnoteerd is. In ieder geval komt deze connotatie in Mt. 5,46 aan de oppervlakte. De strijd gaat dus om wat zich onder de waterspiegel bevindt. Mist Calvijn dit dan? Nee, want dit ìs de gerechtigheid van Christus voor ons, die bij in de gelovigen minder of meerdere mate aan de oppervlakte komt en dit blijft altijd achter bij de gerechtigheid waarmee Christus rechtvaardig is. God heeft behagen aan Christus, die Zich echter gedurig mededeelt, zodat Gods behagen òns toevloeit. Maar dit behagen heeft Hij in ons a) niet zoals wij van onszelf zijn, b) wel zoals wij niet van onszelf zijn, c) dus als onszelf, zoals wij als gerechtvaardigden zijn, wel, maar als van onszelf niet. Dus: 'netto' mag ik niet zeggen, want het gaat niet om dingmatig optellen en aftrekken, maar om de Gever om niet-gedurig ontvangerverhouding. Dus ik moet zeggen: niet, tenzij, en dit wordt door Calvijn bedoeld met 'acht van enige waarde' (C.I.3.17.3). Maar zulk 'nee, tenzij' is een 'ja'. Een 'ja, maar wacht eens', oftewel 'realiseer je' nl. dit: 'Absit tamen, ut christianus homo in se ipso vel confidat vel glorietur et non in Domino (cf. 1Cor 1, 31; 2Cor 10,17), cuius tanta est erga omnes homines bonitas, ut eorum velit esse merita, quae sunt ipsius dona', 'het zij verre, dat de mens op zichzelf vertrouwt of op zichzelf roemt en niet in de Here, wiens goedheid jegens de mensen zo groot is, dat Hij wil, dat hun verdiensten zijn, wat Zijn gaven zijn.' (DS 1548) Nóg is er zo verschil, nl. tussen verdienste en 'Hij acht ze van ... waarde'. 'Verdienste' en 'in Zijn ogen waard zijn'. Met de term 'verdienste' wordt deze verhouding ietwat verzakelijkt, hoewel het woord het voordeel heeft uit te drukken, dat het niet om een 'alsof' gaat, maar iets werkelijks. Trente zegt: 'Non modo reputamur, sed vere iusti nominamur et sumus', 'wij heten niet alleen rechtvaardigen, maar worden naar waarheid zo genoemd en zijn het'. De goede werken van de gerechtvaardigde acht God van waarde, daarin en dan in de mate waarin deze bekleed is met de rechtvaardigheid van Christus. Deze rechtvaardigheid is nu waardeerlijk. Of de werken van de gerechtvaardigde werkelijk waardeerlijk zijn, staat dus ten nauwste samen met of er sprake is van uiterlijke toerekening van de rechtvaardigheid van Christus of van toerekening in de betekenis van gedurige toekenning om niet.
    De Heilige Schrift brengt hier uitkomst. Voor de duidelijkheid begin ik met de Vulgaat: I Joh. 'Videte qualem charitatem dedit nobis Pater, ut filii nominemur et simus', 'gij ziet welke liefde de Vader ons bewees, opdat wij zijn kinderen genoemd worden en zijn'. De Griekse grondtekst heeft twee varianten. De zg. koine- of Rijkstekst plus een tamelijk groot aantal anderen mist het laatste 'en zijn'. De Statenvertaling sluit zich om redenen die niet moeilijk te raden zijn bij deze tekstvariant aan.

    Niet eens zozeer, omdat het overgrote deel van de andere teksten de passus hebben, geef ikzelf de voorkeur aan het hanteren van de tekst met de passus als wel vanwege het principe van de Joodse exegese 'eloe w'eloe diwree Elohiem Chayiem', 'het een en het ander zijn de woorden van de Levende God.'
    De Griekse grondtekst luidt: ' idete potamhn agamhn dedwken hmin o pater ina tekna qeou klhqwmen kai esmen, 'ziet, wat voor een liefde de Vader ons gegeven heeft, opdat wij kinderen genoemd worden en zodat wij het zijn'.

    Deze tekst bemiddelt nl. tussen degenen die hem weglaten en degenen die in hun belijdenisgeschrift de indicatief 'sumus' gebruiken. Hierin schuilt al het gevaar van dezelfde verzakelijking, dezelfde valse 'analogia entis' als bij klakkeloos gebruik van de termen 'verdienen' en 'verdienste'. Het bovenstaand citaat DS 1548 geeft wel 'geeft zó, dat verdiensten zijn'. Dat dit een gedurig om niet begiftigd worden is van wie niet verdienen, is wel wat er stáát, maar de Johannes-tekst drukt toch dezelfde verhouding als hierin uitgedrukt toch scherper uit en stelt ons beter in staat om in Gods Woord te blijven staan. God geeft ons het kindschap en al wat daarbij behoort zó, opdat wij daardoor genoemd worden en het dan ook zijn, dus ook werkelijk Godwelgevallig, en dus Gods welbehagen, dit waard zijnde, oogstend.
    Het meer formele Latijn stond Hiëronymus waarschijnlijk niet toe, wat het meer nuancerende Grieks wel mogelijk maakte, om achter hun equivalenten van 'opdat' over een conjunctivus een wending te maken naar de indicativus. Toch had de Vulgaat kunnen bemiddelen, omdat 'simus' a.h.w. bemiddelt tussen de Rijkstekst, waarop de Statenvertaling hier kennelijk stoelt en de andere teksten. 'Simus' ontkent de indicatief`´esmen´ oftewel het tridentijnse 'sumus' niet, maar houdt het afhankelijk van de gave. De vervaardigers van de Statenvertaling hebben uit overijver het kind met het badwater weggegooid.
    Toch wil dit nog geen superioriteit van de Vulgaat t.o.v. de Statenvertaling zeggen. Zo zou b.v., indien het aan de Vulgaat had gelegen, 'verdienste(lijkheid)' in Jezus' bovengenoemd gebruik van de term 'loon' niet boven water zijn gebleven. De Vulgaat ontgaat dit nl. door Mt. 5, 46: ´'ean gar agaphsete touV agapwntaV hmaV tina misqon ecete', 'indien gij liefhebt wie u liefhebben, wat is uw 'loon'?' uitwijkend te vertalen als: 'Si enim diligitis eos, qui vos diligunt, quam mercedem habebitis', 'indien gij liefhebt hen die u liefhebben, welk loon zult gij krijgen?' Maar het voordeel ervan is, dat we eraan zien, dat 'misqon' en 'mercedem' niet hetzelfde is en het distinctieve van het eerste ten opzichte van het tweede juist door 'verdienstelijkheid' wordt aangegeven. Dat Hiëronymus niet met 'meritum' vertaalt, ligt daaraan, dat met 'meritum' wel de beloonbaarheid, maar niet de loonverwerving wordt uitgedrukt.n12

    Conclusie

    Rechtvaardig zijn wil dus zeggen: gedurig onze rechtvaardigheid om niet gegeven krijgen. Verdienste(lijkheid) is dan: gedurig in de ons geschonken gerechtigheid van Christus onze Godbehaaglijkheid om niet gegeven krijgen. Met de gerechtigheid van Christus bekleed zijn wíj het die rechtvaardigen zijn en zijn wíj het die God behagen en bij Hem loon oogsten, niet uit ònze verdienste. Maar uit de òns uit genade in Christus' gerechtigheid medegedeelde waardeerlijkheid van ònze goede werken, die de vruchten van deze gerechtigheid zijn. Hoe onwaardig wij onszelf ook bevinden, wij moeten vertrouwen, dat wij werkelijk met deze gerechtigheid van Christus zijn uitgerust, al verdienen wij haar nog immer niet. Hierom worden wíj, in onze werken, werkelijk gewaardeerd en uit waardering beloond.
    Wij stellen vast:
    Naar wij zagen zegt Calvijn C.I.2.3.11: 'Het werk, in de Zijnen begonnen,is Hem aangenaam en daarom geeft Hij steeds meer genade.' God onderkent, ook naar Calvijns inzicht, dus een beloonbare voortreffelijkheid. Dit werk van God verdient loon bij Hem. Het stemt Hem immers aangenaam. Wat in Gods ogen zo is, is waar, want God is de Waarheid. Daarmee zijn deze aan ons gegeven nu echt goed te noemen werken verdienstelijk. Daarom spreekt men ook van de 'verdienstelijkheid van de goede werken'. De gelovigen verdienen dus met deze werken Gods dit loon. Niet àls zichzelf, maar zijzelf als bekleden met de gerechtigheid van Christus.

    Scherpstelling

    Ik geef de twee mogelijke varianten van hoe dit op te vatten. Het voorste alternatief is de vermeende r.k. variant, het achterste de gereformeerde, haakjes betekenen dat de variant wordt afgekeurd, de schuine streep dat beide varianten worden goedgekeurd: Wij verdienen niet, (tenzij... met...) doch slechts als met deze gerechtigheid uitgerust. Maar niet zijn wij alleen maar met deze werken die wij hieruit verkrijgen het loon waard. Wij worden zo het loon waard gemaakt, die het áls onszelf nog steeds niet zouden zijn (niet zijn), maar wel als gerechtvaardigden. D.w.z. dat wij het úit onszelf niet zijn, maar nu wel/nochtans wel degelijk.
    Toelichting: Wij zagen in onze bespreking van het Antidotum, dat de gave ook te Trente gedurig uit barmhartigheid blijft. Maar is zodra de rechtvaardigheid en verdienendheid er is, de onrechtvaardigheid en onverdienendheid niet uitgesloten? Inderdaad, niet verdienend verdient de gerechtvaardigde en daarmee is de onverdienendheid uitgesloten, maar niet het feit dat de verdienendheid nog immer onverdiend is. Maar dit laatste zit zo, dat wij niet nog bezig zijn met niet verdienen, maar het nog uit onszelf niet verdienen. Verdienen wij dus nu onze verdienendheid? Nee, want het blijft een onverschuldigde gave. Als je zegt ´tenzij´, lijkt het echter heel gauw of ons niet verdienen niet langer opgaat en is daarmee behalve oncalvinistisch ook ontridentijns. Maar ´die het áls onszelf nog steeds niet zijn´ betekent ´als zondaars verdienen wij het eenvoudig niet´ en dit wringt toch met dat wij, al zijn wij nog zondaars, wel verdienen, terwijl ´die het áls onszelf nog steeds niet zouden zijn´ toch onze onverdienendheid niet alleen maar achter zich laat. De eerste variant wringt met de genade die er inmiddels is en zou een chargering zijn ware het niet, dat waar Calvijn C.I.3.15.3 zegt, dat onze werken Gods aangezicht niet verdragen kunnen, dit betekent ´buiten rechtvaardiging´, d.w.z. onder afdenking van, of bij vergetelheid van rechtvaardiging. Dit laatste is precies het punt waar de hele controverse Reformatie-Rome om draait.
    Wat het boven laatst aangeduide alternatief betreft, er is tussen de twee geen verschil.

    Slotsom

    Het is niet zo, dat iets in ons wordt gerechtvaardigd en wíj niet. Degenen die deze werken verrichten zijn zo in Gods ogen ermee loon waard. Zij bekomen het te verdienen, zonder dat zij het uit zichzelf verdienen. Het is Christus die in hen verdient, terwijl Hij dit hun communiceert. Oftewel zij verdienen het in Christus. Dit is niet een eigenlijk tòch zelf verdienen, als het maar in Christus is, wat-dit-laatste-ook-moge-betekenen, maar wezenlijk een gedurig om niet intiem vanuit deze Bron verleend krijgen.
    Wij moeten weten wat wij zeggen, als wij iets bevestigen of ontkennen. Valse schaamte is echter uit den boze. C.I. 3.2.30: 'Het geloof laat geen enkel deel van Gods Woord achteloos liggen.' Het belijden noeme dus man en paard. Ondanks alle clausulering die wij vanwege de zonde moeten aanbrengen, blijkt er dus per slot van rekening, aangezien 'niets verborgen of aan het oog onttrokken (oftewel verkapt) is dan om openbaar te worden' (Mc.4:22,23) consensus.
    Dat we de zaak niet met de piraterij van onze eigenmachtigheid, noch met een valse 'analogia entis' - waarbij het lijkt, dat we weliswaar eerst niet verdienen, maar later uit onszelf wel, in plaats van dat we het feit van onze rechtvaardiging nooit verdienen, maar deze om niet krijgen, 'donum', en daarmee iets wat Gods gunst oogst - noch met restricties mogen verwarren, en op enigerlei wijze Gods eer tekort doen, en dit ook niet willen, kunnen wij betonen, door met de Reformator de augustijns-bernardiaanse interpretatie over te nemen en zo naar haar juiste bedoeling de Traditie voort te zetten.

     

    Calvijn en Augustinus

    Dit blijkt ook uit C.I.3.14.20 waar Calvijn met instemming zegt: 'Dit geeft Augustinus met weinig woorden te kennen, als hij zegt: "Ik prijs de werken mijner handen niet aan, want ik vrees, dat, wanneer Gij ze beziet, Gij meer zonden zult vinden dan verdiensten." Nu werd dit voorafgegaan door: ´Wanneer de vromen uit de onschuld van hun consciëntie hun geloof versterken, of daaruit oorzaak nemen tot blijdschap, dan doen zij anders niet, dan uit de vruchten van hun roeping besluiten, dat zij tot kinderen Gods zijn aangenomen. Geenszins zoeken zij daarin enige grond voor hun zaligheid of rechtvaardigheid.´ Hierin is van enigerlei verdienste geen sprake, zo lijkt het. Hoe kan Calvijn het Augustinus-citaat dan hiermee in overeenstemming achten? Of ziet hij dit vuiltje bij de kerkvader maar over het hoofd? Laten wij bezien hoe dit citaat vervolgt en Calvijns commentaar erop:
    ´"Maar dit zeg ik, Here, verwerp de werken mijner handen niet; ziet Uw werk in mij en niet mijn werk. Want indien Gij mijn werk aanziet zo veroordeelt gij het; maar ziet Gij uw werk aan, zo kroont Gij het. Want al mijn goede werken komen van U." Hij stelt dus twee oorzaken, waarom hij van zijn werken niet voor God mag roemen. Ten eerste, indien hij enige goede werken heeft, ziet hij daarin niet zijn werken. Ten tweede zijn ook die werken nog door een veelheid van zonden bedolven.´ Hetzelfde als we zagen wat Trente DS 1548 zegt over ´niet roemen in zichzelf, maar in de Heer´.
    ´Uw werk´ is bij Augustinus hetzelfde als wat deze uitgebreider uitdrukt als: ´al mijn goede werken komen van U´. Calvijn spreekt van ´indien hij enige goede werken heeft´, en dit lijkt het midden te houden tussen ´niet hebben´ en ´misschien wel hebben´, maar blijven wij even op deze woorden turen, dan blijkt, dat hij het heeft over parels tussen het gruis. Dit zijn ´mijn werken´ die in feite Gods werken zijn, en die Hij als van Hem afkomstig en dus met navenante kwaliteit voorzien gaarne (zie boven) kroont.
    Maar waar blijft dan de interpretatie van Augustinus´ ´verdienste´? Is dit een teveel, dat in het omringend commentaar wordt weggemoffeld als schoonheidsvlek? Maar waarom zou het nodig zijn zulks te veronderstellen? ´Verdiensten´ is hier eenvoudig hetzelfde als kroonbare, d.i. belonenswaarde goede werken Gods. Het is ook niet de enige keer, dat Augustinus de term ´verdienste´ bezigt, zoals wij zagen in het commentaar van het Antidotum op canon 32. Maar Calvijn maakt daar op zichzelf geen bezwaar tegen, doch slechts daartegen, dat het schriftvreemde (zie boven) woordje ´verdienste´, naar bij hem blijkt: tenzij in goede context, althans gauw, misbruik t.o.v. de Schrift is.
    Calvijn heeft het gebruik van de term 'verdienste' geattaqueerd, omdat hetgeen er bij hem tegen pleitte datgene wat ervoor pleitte overtrof, maar het feit, dat hij nog net met Bernhard accoord ging, hield hem in de Traditie, d.i. de overgeleverde Schriftinterpretatie. Anders had hij iets in Gods Woord veronachtzaamd, iets, dat juist door het woord 'verdienste' wordt vertegenwoordigd, hoe licht er bij gebruik van dit woord ook van misbruik sprake is.

    Opwerpingen

    Had zó te zien de term niet beter kunnen worden vermeden, en hetzelfde met andere woorden worden gezegd, die adequaat in ´verdienste´ vertaald kunnen worden? Bleekgezicht praat dan met dubbele tong. Ja, maar om ongewenste implicaties te vermijden? Om het rotte deel weg te snijden ook maar het gezonde deel wegsnijden is verkeerd. Maar als schriftvreemd is het immers aanleiding tot ziekte geweest? ´Vatbaar voor ziekte´ is echter beter uitgedrukt, want het is niet eens de suggestie door de term die mede de ziekte veroorzaakt heeft, althans niet om te beginnen, doch dit is veeleer gegaan bij wijze van vergetelheid, dat onze rechtvaardigheid en daarmee waardeerlijkheid uit genade is, en dan pas slaat de valse suggestie van de term toe: want de kroon op onze rechtvaardiging, het behalen van de prijs is juist het (top)punt dat het gevoeligst is voor eigengerechtigheid: en deze gevoeligheid is zodoende bij vergetelheid het meest suggestief. Hetzelfde anders uitgedrukt: in de term ´verdienstelijkheid´ slaat bij maar enige opdoemende eigengerechtigheid al is het maar door vergetelheid de valse suggestie van de term onmiddellijk en het gevoeligst toe. M.a.w. geen wonder dat bij zulk een prijs zulk een gevaar waaraan hij ten prooi kan vallen onmiddellijk om de hoek staat. Maar moeten wij deze dan maar afwijzen? Ook Calvijn laat hem op het cruciale moment, de goede context, staan zonder er dan iets op aan te merken. Als puntje bij paaltje komt.

    Calvijns bezwaar van blijvende betekenis

    Is dit dan niet in tegenspraak met zijn aanhef? Heeft ´niet de eerste die de naam "verdienste" gaf aan de werken der mensen in hun verhouding tot het oordeel Gods de gaafheid van het geloof schade berokkend´? Heeft dit dan al meteen de geur van eigengerechtigheid? Beschouwen we de relatief late gebruiker van de term Augustinus: ´Gij vindt meer zonden dan verdiensten´. Calvijn onderschrijft dit, maar het doorgrond hebbend als ´door toerekening om niet´, dit niet aan Augustinus´ intentie ontzeggend, ook al lijkt deze hier een nomistische juxtapositie te hebben.
    Het heeft er nu de schijn van dat Calvijn dit aan ´de eerste gebruiker´, de stamvader van deze ´erfzonde´, wel toeschrijft: met deze kwam het gevaar van nomisme weer op. Tot de diepten van Romeinen is deze niet doorgedrongen. Augustinus ontkomt aan Calvijns verwijt door de toelichtende context, anderen niet. M.a.w. men heeft plompverloren weer ingevoerd waar men licht nog niet aan toe was, het inzicht ´alles genade, niets rechtens´, en zie rond 1500 n. Chr. zijn we, stoelend op de kerkvaders nog (in werkelijkheid: alweer) niet veel verder. Wel in volle extensie van ´verdienste´ spreken zonder die vergetelheid op te heffen, dat is gevaarlijk. Toch spreekt Calvijn niet van ´dwaling´, maar van ´misbruik´. Misbruik zonder dat er (nog) dwaling is, dat is in feite constateren, dat er door het accent dat door de erkenning van ´verdienste´ gelegd wordt, er een bijkans fatale onevenwichtigheid is met de erkenning van deze als zijnde gunst. Zodoende heeft alle latere pelagianisering hier haar begin.

    Gods gave is onze dankbaarheid waardig

    De ´naam´ verdienste had nooit, althans niet zo plompverloren, mogen worden geïntroduceerd, is wat Calvijn zegt. Als nomismeversterkend is dit waar, maar voor het geheel slechts een deelwaarheid, want du moment van het besef van de gegunde gunst die het is, komt ook wat ons eruit geschonken wordt, onze waardigheid en daarmee belonenswaardigheid in Gods ogen, juist in het vizier om in erkentelijkheid in ontvangst te nemen. Calvijn heeft het feitelijk erkend en de term ´verdienste´ niet in alle geval afgewezen, maar metterdaad zelfs zo nu en dan blijken te accepteren. Het door hem bedoelde misbruik is de aanstootgevendheid, nog niet dwaling. Dit is wat, indien ontdaan van deze aanstootgevendheid, gevolg van vergetelheid, van dubbelzinnigheid, vooral: van verkeerde praktijkbeleving, de ruimte schept voor acceptatie van de term. Wie a zegt, zegt in feite b tegen de implicaties ervan. Als deze waar zijn, kunnen ze onmogelijk onder de korenmaat blijven. Ze verdienen dan ook erkenning zonder schroom. Dit doen wij niet door er niet aan te willen en huiverig voor de waarheid ervan te blijven, anders dan  alleen voorzover er eigengerechtigheid in mocht voorkomen. Schroom verraadt valse schaamte hierover en is in feite nog een zelfbeschuldiging van eigenrechtigheid. Maar als we deze achter ons laten, hoe moeilijk dit ook is, uit besef van door God geaccepteerd te zijn en geliefd te worden en daarin: als begunstigd gewaardeerd te worden, niet uit verdienste, maar uit genade, dan is geclausuleerde erkenning van de term ´verdienste´ recht doen aan Gods Woord. Calvijn heeft niet nagelaten ondanks zijn aversie  van de eigengerechtigheid waartoe de notie van verdienste binnen de kortste keren aanleiding is zulks te doen.
    Hoe schoorvoetend dit ook geschiedt, toch komt het neer op hetzelfde als wat hij uiteindelijk volmondig blijkt te onderschrijven en dat is, dat de gerechtvaardigde werkelijk uit Gods soevereine welbehagen aan zijn goede werken in ons uit gunst meteen Gods behagen werkelijk oogst en dit niet alleen zijnde Zijn werk in ons a.h.w. buiten ons om maar als ons om niet gegeven als zijnde ons werk. C.I. 3.15.3: ´Wij zijn dan ook slechts onnutte slaven. Nochtans noemt de Here de goede werken, die Hij ons gegeven heeft onze werken...´, (3.17.5) '... de gelovigen, nadat zij geroepen zijn, behagen God, ook ten aanzien van hun werken.´ Dit naar waarde oogsten van Gods behagen is zo voor ons een verdienen dat wij permanent onverdiend ontvangen. We mogen het niet aan onszelf toeschrijven want van onszelf verdienen wij niets.

    Analogia entis en verdienstelijkheid der goede werken

    Het afwijzen van de term 'verdienste' hangt ten nauwste samen met Barths kritiek op de zg. 'analogia entis'. Al is de arbeider Gode loon waard, eigenlijk verdient deze niets. Kent God hier toe, dan blijft dat 'eigenlijk niet'de basiswaarheid. Inzoverre volkomen terecht, dat deze basiswaarheid beslist niet tenietgedaan wordt. Al zijn wij gerechtvaardigd, wij blijven gerechtvaardigde zondaars, die nog steeds niet onze rechtvaardiging verdienen, dus ook niet het loon van gerechtvaardigden, maar die nog steeds onze rechtvaardiging en het loon van gerechtvaardigden, dat we als zodanigen gedurig waard gemaakt worden, ontvangen.
    Maar wat door Gods toedoen voor God geldt is niet als 'slechts gelden', als een soort spel, een secundaire waarheid, laat staan een 'alsof'. Het geldt, omdat het door Zijn gedurig toedoen waar is. Alleen is waar-zijn nooit of te nimmer waar-zijn buiten God om, noch wat betreft de dimensie van het 'eigenlijk niet verdienen', noch wat betreft de 'verdienstelijkheid van de goede werken' als een waarheid die wij voor onszelf zouden kunnen roven om eigenmachtig mee te opereren, deze als iets wat nu van onszelf is aan onszelf toeschrijvend. Omdat God de Waarheid is, is wat voor Hem is, en wat waar is, is voor Hem waar. Zo is voor Hem waar, dat ik uit mezelf niet verdien. Ja, zelfs is het zo, dat waar sprake is van genade, 'gunst', van verdienste geen sprake kan zijn, aangezien beide termen elkaar uitsluiten. Maar dit is als waarheid niet eigenlijker dan dat ik, als ik in Zijn ogen loon waard ben, dus verdien. En het is in Gods ogen waar, dat ik dit laatste te doen niet verdien. De begenadiging als zodanig is niet door de begenadigde gekozen, anders zou het geen genade, begenadiging, gunst zijn. De begenadiging als zodanig is dus louter gunst en geenszins verdienste van de mens.
    Men kan wel uit vrees voor roemen de term 'verdienste' willen vermijden, bv. op grond van bewezen misbruik, maar men valt dan weer aan de andere kant van het paard waar men wil opklimmen en begaat dan de misslag, te beweren dat iets eigenlijk niet zo is, maar iets slechts in Gods ogen zo is. Uiteraard doet dit God ernstig tekort.
    Om w